Expats. Mensen die zichzelf graag presenteren als wereldburgers, maar in werkelijkheid gewoon voor een paar honderd euro meer salaris naar het buitenland vertrekken omdat ze denken dat daar het geluk wél te koop is. Het zijn eigenlijk economische vluchtelingen met een LinkedIn‑verslaving.
Ze trekken massaal naar het Midden‑Oosten, Noorwegen, Spanje, Australië, Curaçao, plekken waar het óf permanent koud en nat is, óf zo heet dat je na drie minuten buiten al begint te smelten als jonge kaas. Maar goed, het avontuur roept, en dus gaan ze. Met een koffer vol dromen en een bankrekening die al bij vertrek in de min staat.
En dan komen ze terug naar Nederland. Tenminste, fysiek. Mentaal zitten ze nog steeds in hun “nieuwe thuisland”, waar ze zogenaamd helemaal zijn opgebloeid. Ze denken dat iedereen wil horen over hun leven in het buitenland. Over de cultuurverschillen. Over de lokale markt. Over dat ene restaurantje “waar je echt geweest moet zijn”. Ondertussen bombarderen ze je met foto’s van zonsondergangen, smoothies en zichzelf in een pose die schreeuwt: “Kijk hoe goed ik het heb, alstublieft geloof me.”
De realiteit is minder Instagramwaardig. In hun nieuwe land zitten ze in een te duur, te klein appartement, waar de muren dunner zijn dan hun sociale kring. Ze vervelen zich kapot, kennen niemand, en spenderen hun avonden met het obsessief refreshen van Nederlandse nieuwssites. Maar dat vertellen ze natuurlijk niet. Nee, ze hebben het “fantastisch”.
Het mooiste is: in hun nieuwe omgeving doen ze precies het omgekeerde. Daar vertellen ze hoe geweldig Nederland is. Hoe fijn het is dat alles werkt. Hoe lekker het eten is. Hoe gezellig de mensen zijn. Hoe ze niet kunnen wachten om weer even terug te gaan.
Het patroon is simpel: waar ze ook zijn, ze willen ergens anders zijn. In Nederland missen ze het buitenland. In het buitenland missen ze Nederland. In werkelijkheid missen ze vooral gezond verstand en zelfinzicht.
Eigenlijk zijn expats dus nergens gelukkig. Triest.
