Er is een moment geweest, waarschijnlijk ergens rond het tijdperk waarin Balkenende ons streng toesprak over normen en waarden, waarop volwassenen besloten dat ze zich niet langer volwassen hoeven te gedragen. Misschien was het de dag dat iemand dacht: “Weet je wat? Ik ga naar mijn werk op schoenen die ontworpen zijn voor sprintjes tussen klimrekken.” En in plaats van dat iemand ingreep, stemde de rest stilzwijgend met het verval in. Sindsdien lopen we overal op sneakers. Niet alleen op zaterdag, niet alleen naar de schuur, maar overal. Op kantoor. In openbare gebouwen. In ruimtes waar mensen geacht worden te lezen, te werken, te trouwen, te rouwen of op z’n minst te doen alsof ze een greintje respect hebben voor hun omgeving.
Sneakers waren ooit functioneel: kinderen renden ermee over het schoolplein, pubers trapten ermee tegen een bal, en volwassenen trokken ze aan om de hond uit te laten. Prima. Niemand verwacht dat je in leren veterschoenen achter je labradoodle aan sprint. Maar ergens is het misgegaan. De sneaker is gepromoveerd tot “dagelijkse schoen”, alsof het een neutrale keuze is. Alsof het niet uitmaakt wat je aan je voeten doet wanneer je een ander onder ogen komt.
Maar het maakt wél uit. Sneakers zijn een statement, en dat statement is: “Jij bent mij de moeite niet waard.” Het staat gelijk aan iemand een hand geven zonder op te kijken. Een subtiele vorm van minachting, verpakt in schuimrubber en marketingpraat. En dan maakt het niets uit of er Nike, Adidas of Van Bommel op staat. Een sneaker met een luxe label is nog steeds een sneaker. Een joggingbroek van kasjmier blijft ook een joggingbroek.
Het probleem is niet dat sneakers bestaan. Het probleem is dat volwassenen ze zijn gaan dragen op plekken waar volwassenheid vereist is. Een kantoor is geen speeltuin. Een bibliotheek is geen sportschool. Een gemeentehuis is geen backstage‑ruimte van een middelmatige rapper. Toch schuifelen we er massaal binnen op schoenen die piepen, knarsen en vooral uitstralen: “Ik heb geen enkele moeite gedaan om hier te zijn.”
En dan komt het excuus: “Maar ze zitten zo lekker.” Natuurlijk zitten ze lekker. Een pyjamabroek zit ook lekker. Een fleecetrui zit fantastisch. Maar je loopt ook niet in een onesie het gemeentehuis binnen om je paspoort te verlengen. Tenminste, dat hoopt IWIH dan. Want de grens tussen sneakers en totale maatschappelijke verloedering is dunner dan de zool van een afgetrapte Converse All Star.
Wie sneakers draagt in een publieke of professionele omgeving, maakt één ding heel duidelijk: respect is optioneel. Inspanning is optioneel. Beschaving is optioneel. En dat is precies waarom het zo irritant is. Niet omdat de sneakers lelijk zijn, dat zijn ze ook, maar omdat ze een collectieve knieval voor gemakzucht zijn.
Sneakers horen thuis waar ze thuishoren: onder kinderen, onder pubers, onder mensen die achter de hond aan rennen. Niet onder volwassenen die geacht worden volwassen te zijn.
Trek gewoon schoenen aan. Fatsoenlijke, echte schoenen.
