De discussie over de woningnood in Nederland gaat meestal over stikstof, bouwprocedures en trage vergunningen. Allemaal ingewikkeld, allemaal technisch, allemaal ver weg van onszelf.
Maar er is een veel simpelere verklaring die we liever niet benoemen: we gaan massaal uit elkaar. Jaarlijks eindigen er tienduizenden relaties. Dat betekent dat één huishouden er ineens twee worden. Twee keukens, twee badkamers, twee woningen die ergens vandaan moeten komen. In een land waar die woningen er al niet zijn.
En toch behandelen we echtscheidingen alsof ze zich in een soort maatschappelijk vacuüm afspelen. Iets persoonlijks. Iets privés. Iets waar de rest van de samenleving vooral begrip voor moet hebben.
Terwijl de gevolgen allesbehalve privé zijn. Iedere scheiding creëert een extra woningzoekende. Vaak twee. Mensen die met spoed ergens terecht moeten, die de markt opkomen met weinig keuze en weinig ruimte. Mensen die, heel begrijpelijk, ergens moeten wonen, maar die wel bijdragen aan een probleem dat we vervolgens “woningnood” noemen.
En ergens onderweg zijn we vergeten dat onze keuzes niet bij onszelf blijven. Ze komen bij mensen terecht die er niets mee te maken hebben. Iedere ruzie die escaleert, iedere affaire die “nu eenmaal gebeurde”, iedere relatie die strandt op vermoeidheid of miscommunicatie. Het heeft een prijs die niet alleen door de betrokkenen wordt betaald.
Het zijn jonge mensen die die prijs dragen. Jongeren die geen woning kunnen vinden omdat de voorraad versnipperd raakt in steeds kleinere huishoudens. Jongeren die hun volwassen leven beginnen op zolderkamers, in logeerkamers, in tijdelijke studio’s die eigenlijk nooit bedoeld waren om in te wonen. Jongeren die wachten op doorstroming die maar niet komt, omdat wij met z’n allen steeds opnieuw beginnen.
We doen alsof dit losstaat van ons gedrag, maar dat is het niet. De woningmarkt reageert niet op emoties, maar op aantallen. En die aantallen worden bepaald door de keuzes die wij vandaag maken, soms in een opwelling, soms uit frustratie, soms omdat iemand de verkeerde toon aansloeg tijdens het avondeten.
Het is een ongemakkelijke gedachte, dus we hebben hem maar weggeschoven. We praten liever over stikstof dan over onszelf.
Want stel je voor dat we het omdraaien.
Stel dat we echtscheidingen niet alleen zien als een persoonlijke keuze, maar ook als iets met maatschappelijke gevolgen. Iets waar niet alleen emotionele, maar ook praktische consequenties aan zitten.
Misschien moeten we dan wel een stap verder gaan.
Een wachttijd invoeren. Niet scheiden voordat er een woning beschikbaar is.
Of een echtscheidingsheffing. Een financiële bijdrage die wordt ingezet voor woningbouw of tijdelijke huisvesting. Niet bedoeld als straf, maar als compensatie voor de extra druk die ontstaat.
Of simpelweg de vraag stellen: is dit het moment om uit elkaar te gaan, of alleen het moment waarop het even niet zo lekker loopt?
Het klinkt absurd. Dat is het ook. Maar niet absurder dan een generatie die noodgedwongen bij hun ouders woont omdat de woningmarkt vastzit, terwijl we tegelijkertijd doen alsof elke scheiding alleen een persoonlijke keuze is waar verder niemand iets van merkt.
We blijven bouwen, rekenen, plannen en vergaderen. Maar zolang we blijven doen alsof gedrag geen rol speelt, blijven we om het probleem heen praten.
Misschien is de woningnood niet alleen een gebrek aan huizen. Misschien is het ook een overschot aan huishoudens.
