
Ikwasinharen had zich voorgenomen deze dag rustig te beginnen, misschien zelfs met een biologisch vegetarisch yoghurtje, maar toen doken de nieuwe Epstein‑files op. Miljoenen documenten, miljoenen vragen, en nul procent kans dat iemand er wijzer van wordt. Het voelde voor hem alsof iemand een ordner in een bladblazer had gestopt en vervolgens trots riep dat “de waarheid nu eindelijk boven tafel ligt”.
Wat hem vooral amuseerde, was hoe iedereen onmiddellijk in paniek begon te scrollen, alsof ergens tussen die miljoenen pagina’s een foto zou zitten waarop hun favoriete beroemdheid per ongeluk een verkeerde deur opent. Het internet gedraagt zich inmiddels als een soort collectieve buurtwacht: iedereen gluurt naar binnen, niemand weet waarnaar ze kijken, maar iedereen heeft een mening.
En dan die foto’s. Half onscherp, slecht belicht, en altijd net suggestief genoeg om mensen te laten denken dat ze een wereldschokkend detail hebben ontdekt. Ikwasinharen herkende het meteen: dit is precies hoe zijn eigen selfies eruitzien wanneer hij beweert ‘even lekker buiten te zijn geweest’, terwijl hij in werkelijkheid gewoon weer bij de slijter stond.
Opvallend is vooral wie er niet op beeld staat. De president, bijvoorbeeld. Die blijft in dit soort dossiers altijd net buiten frame, alsof hij een natuurlijke gave heeft om precies op het juiste moment achter een ficus te gaan staan. Ikwasinharen vermoedt dat er ergens in Washington een speciale afdeling bestaat die niets anders doet dan strategisch planten neerzetten.
Ondertussen vallen experts, tegen‑experts en mensen‑die‑zich‑expert‑noemen over elkaar heen om te verklaren wat dit alles betekent. Ikwasinharen weet inmiddels dat dit ritueel is: hoe meer documenten er vrijkomen, hoe minder iemand bereid is om iets hardop te concluderen.
En zo blijft de wereld bezig met het aanwijzen van schaduwen, terwijl de echte spelers alweer een kamer verder zijn. Waarschijnlijk achter een strategisch neergezette ficus.