
Er bestaat een bepaald soort mensen dat zichzelf graag ziet als morele redders van de beschaving. Je herkent ze meteen: ze roepen dan dat ze “niets tegen minderheden hebben hoor”, met dezelfde energie als IWIH die zegt dat hij “echt bijna nooit drinkt” met een glas Duvel in z’n hand.
Totdat er een minderheidspersoon opduikt die iets doet wat hen niet zint. Laten we zeggen dat hij minister president wordt. Dan verandert hun toon sneller dan een kortingsactie bij de lokale bakker. De beschermengel van gisteren verandert in een soort dorpscabaretier die vindt dat je “tegen een grapje moet kunnen”, terwijl hij zelf al in tranen uitbarst als iemand zijn caravan “knus” noemt in plaats van “ruim”. Hun solidariteit blijkt dan een soort morele kerstverlichting: het hangt er alleen als het donker is en ze aandacht willen, en zodra het februari wordt, flikkeren ze het in een doos op zolder tussen de kapotte lichtslangen en de plastic rendieren.
Het fascinerende is hoe soepel ze die draai maken. Op maandag roepen ze nog dat ze opkomen voor kwetsbare groepen, alsof ze persoonlijk de beschermheilige van de empathie zijn. Op dinsdag maken ze iemand uit precies die groep belachelijk omdat die persoon nét iets te zichtbaar, te uitgesproken of te succesvol is. En op woensdag beweren ze dat ze “het niet zo bedoelden”, met dezelfde overtuiging als iemand die zegt dat hij “per ongeluk” een hele familiezak chips heeft opgegeten.
En als je ze erop wijst, komt het standaardrepertoire: “Je moet niet zo gevoelig zijn.” “Het was maar humor.” “Ik mag toch zeker wel iets vinden?” Het is wonderlijk hoe vaak mensen “iets vinden” dat toevallig altijd neerkomt op het onderuit halen van precies die groepen die ze gisteren nog zo vurig verdedigden. Hun principes zijn zo flexibel dat je ze zou kunnen gebruiken om een omgewaaide schutting in Limburg bij elkaar te houden.
Het ‘mooiste’ is dat ze zichzelf nog steeds zien als de redelijke middenmoot. De stem van het gezond verstand. De morele meerderheid. Terwijl ze zich gedragen als iemand die ruzie zoekt met verkeersdrempels. Ze willen graag de rol van beschermer spelen, maar gedragen zich als iemand die een kat aait en hem daarna verwijt dat hij haren achterlaat op de bank. Of als iemand die zegt dat hij “niets tegen regen heeft”, maar wel elke druppel als een persoonlijke belediging ziet.
Het probleem is niet dat ze soms iets doms zeggen. Dat doet zelfs IWIH weleens. Het probleem is dat ze hun eigen inconsistentie niet zien, of niet willen zien. Ze verdedigen minderheden zolang die minderheden zich gedragen zoals zij dat prettig vinden. Ze vallen diezelfde minderheden aan zodra die iets doen wat hen irriteert. En ze noemen dat vervolgens “principieel”, alsof het een diep moreel inzicht betreft en niet gewoon lompe schofterigheid in een nette verpakking.