De stranden waren prachtig, zeiden ze.
Wit zand, blauwe zee, foto’s voor de buren.
Ik geloofde het, een dag lang,
tot ik de rij zag voor een handdoek.
Duizend Duitsers met een parasol
verdedigen hun vierkante meter
alsof het Stalingrad is.
Een kind gilt. Een jetski gilt nog harder.
Marbella is een boetiek zonder inhoud,
een naam die duurder klinkt dan hij is.
Gouden horloges, lege blikken,
mensen die geld hebben maar geen weet
wat je ermee doet behalve tonen.
Ik zoek een kerk, een oud gebouw,
iets dat hier al stond voor het geld kwam.
Niks. Alleen villa’s die op elkaar lijken
als foto’s van dezelfde plastische chirurg.
Ik zit op het terras, kijk om me heen,
en denk: dit is geen vakantie,
dit is een prijsvraag wie het minst zichzelf kan zijn.
Volgend jaar ga ik naar Zoetermeer.
Daar is het station tenminste eerlijk lelijk,
de trein maakt lawaai maar liegt niet.
En als het tegenvalt, wat vast gebeurt,
is er altijd een borrel in de buurt.
