Deze keer vertrekt Ik was in Haren vanaf Schiphol, wat al een garantie is op ellende van professioneel niveau. Bergen was tenminste overzichtelijk in zijn incompetentie. Schiphol is chaos met een marketingafdeling.
Naast hem loopt Suuz Sjravelt, die al enthousiast vertelt over het uitzicht dat ze straks verwacht. IWIH knikt. Voor hem is vliegen geen avontuur en geen angst. Het is gewoon twee uur niets, in een stoel die niet voor mensen is ontworpen.
Bij de security wordt hij eruit gepikt voor een “willekeurige controle”, wat op Schiphol net zo willekeurig is als de zon die ‘s ochtends opkomt. Terwijl een man met blauwe handschoenen zijn tas fileert alsof hij op zoek is naar een nog levend orgaan, staat Suuz aan de andere kant al op haar telefoon te kijken of ze nog steeds een raamstoel heeft. IWIH verveelt zich al voordat hij zijn koffer weer dicht heeft gedaan.
Bij de gate meldt de omroepstem een kleine vertraging. Suuz haalt haar telefoon tevoorschijn, niet om de status te checken, maar om alvast te oefenen met de camera-instellingen. IWIH staart naar een reclamebord voor parfum en voelt helemaal niets. Geen onrust, geen nieuwsgierigheid. Puur niets. Dat is zijn natuurlijke staat op een vliegveld.
Aan boord blijkt zijn stoel weer midden, natuurlijk. Suuz zit naast het raam en fotografeert de start alsof ze nog nooit een wolk heeft gezien. Ze heeft er wel vaker gezien. Dat weerhoudt haar niet. IWIH bladert door zijn emails voor de zoveelste keer. Puur omdat er verder niets is.
Dan de maaltijd. De boterham met kaas, ditmaal met kruidige pesto. Suuz pakt de boterham gretig aan. IWIH weigert, zoals altijd, en vraagt om Duvel. De steward kijkt hem aan alsof hij om asiel vraagt.
Boven de Noordzee begint turbulentie. Suuz laat haar telefoon zakken en grijpt de armleuning zo hard vast dat haar knokkels wit worden. De wolken zijn ineens niet meer interessant. Ze vraagt of dit normaal is. IWIH zegt dat het altijd normaal is, wat haar niet geruststelt en hem niet interesseert. Hij kijkt naar de tijd op z’n telefoon. Nog ruim veertig minuten van dit niets. Of korter als het misgaat.
Bij de landing op Flesland ontspant Suuz zichtbaar en pakt meteen haar telefoon weer om de laatste wolken vast te leggen, alsof er niets is gebeurd. IWIH staat op zodra het lampje uitgaat, zoals altijd te vroeg, en wacht in het gangpad tot er beweging komt.
Buiten, bij de bagageband, laat Suuz hem de foto’s zien. Prachtig, zegt ze. IWIH kijkt naar twintig bijna identieke wolkenpartijen en knikt beleefd. Hij is het echt niet met haar eens, maar heeft ook niet meer de energie om dat uit te leggen.
Hij haat vliegen niet uit angst. Hij haat het uit verveling. En verveling, zo blijkt keer op keer, is een veel geduldiger vijand dan turbulentie.
