Met een glimlach zo breed als de Maas stap ik Schiphol binnen. De luchthaven in Bergen is klein en gezellig, Schiphol is een mierennest, duizenden toeristen krioelen er rond, het is rumoerig, het ruikt er niet fris en toch krijg ik die glimlach niet van mijn smoel, want hier begint mijn vakantie pas echt. Onze vakantie, want deze keer vlieg ik niet alleen, maar samen met Ik Was In Haren.
Ik was in Haren kijkt beduidend minder blij dan ik. Sterker nog, hij kijkt diep ongelukkig, verward, verwilderd en schichtig. Wat voor mij een vrolijke vakantiechaos is, is voor hem overprikkeling galore.
Bij de security zie ik vanuit een ooghoek dat ze Ik Was In Haren eruit pikken voor een controle. Ik kan gewoon doorlopen met mijn onschuldige huismoedertjes-hoofd. Zolang hij niet in de boeien wordt geslagen of huilend in de foetushouding op de grond ligt, wacht ik rustig af en check in de tussentijd of ik ook wel echt een stoel aan het raam heb, want ik wil van het uitzicht kunnen genieten.
Er wordt iets omgeroepen over vertraging. Ik hoor het maar half. Ik heb het druk met het checken welke camera-instelling het beste is om de wolken vanuit het vliegtuig te fotograferen. Elke keer als ik opkijk, zie ik Ik Was In Haren wezenloos voor zich uit staren.
Aan boord zit hij gelukkig naast me, want ik vind dat vliegen toch altijd weer spannend. Ik hoor hem zuchten. Waarschijnlijk omdat de meneer naast hem meer plaats inneemt dan nodig en niet fris ruikt. Terwijl we opstijgen en ik elke wolk fotografeer (ja, ze lijken allemaal op elkaar, maar toch zijn ze uniek), scrollt Ik Was In Haren op zijn telefoon. Ik weet dat hij niet luistert naar wat ik vertel, maar toch ratel ik aan één stuk door over alles wat ik zie.
De stewardessen brengen de traditionele boterham met kaas. Oeh lekker! Met pesto. Ik Was In Haren kijkt chagrijnig en weigert. Hij doet ook weer moeilijk omdat ze Heineken serveren in plaats van Duvel. Ik kijk naar buiten, eet mijn boterham en doe alsof ik het niet hoor.
Het vliegtuig begint te stotteren en te schokken. Daar hou ik niet van. Ik vraag aan Ik Was In Haren of dat normaal is. Hij antwoord ongeïnteresseerd dat het normaal is, maar ik weet gewoon dat hij maar wat zegt zodat ik stop met zeuren. Ik word misselijk en knijp extra hard in zijn arm.
Pas als we bijna gaan landen, kom ik een beetje tot rust. Ik durf zijn arm los te laten, waarin inmiddels mijn vingers in het rood staan afgedrukt. Ik ga weer verder met fotograferen zodat ik ben afgeleid van de landing. Ik Was In Haren toont nog steeds geen emotie. Zijn brein is uitgeschakeld.
Zodra we geland zijn, komt hij tot leven en springt uit zijn stoel. Ik wacht af totdat er daadwerkelijk beweging in de rij komt en wurm me dan ertussen. Terwijl we bij de bagageband op onze koffers wachten, laat ik hem trots al mijn foto’s zien. Hij kijkt niet echt en het boeit hem duidelijk niet, maar hij moet ze toch allemaal bekijken.
Ik haat vliegen. Maar alleen uit angst. Al het andere eromheen is spannend en geweldig. Onze vakantie is begonnen!
