Toen ik op de basisschool zat, was er ergens in de onderbouw een moment waarop ineens door een groep volwassenen, die daar ongetwijfeld lang over hadden vergaderd, besloten werd dat we niet meer zouden knutselen of tekenen, maar we kregen handvaardigheid. Dat klonk heel deftig, maar was eigenlijk nog steeds knutselen. Hoewel ik erg creatief ben, was ik nooit een groot fan van knutselen en dus ook niet van handvaardigheid. Op de eerste plaats wilde ik zelf bepalen hoe ik mijn creativiteit uitte, op de tweede plaats hield ik niet van gepriegel, gefrunnik en gepruts en tenslotte had ik er geen geduld voor en was ik altijd afgeleid. Ik kreeg dan ook bijna nooit een werkstuk af.
In de laagste klassen was het vooral geknoei met ecoline, klei en vingerverf. Maar hoe ouder we werden, hoe gekker het werd. We moesten bijvoorbeeld breien. Verder dan een treurig lapje van 10 bij 10 cm vol gaten kwam ik niet. Punniken, borduren en iets van gedoe met vilt. Ik vond het vreselijk. Halverwege de basisschool werd het nog spannender. De meest gevaarlijke onderdelen waren solderen, linoleumsnede en figuurzagen. Solderen was in mijn geval een garantie op brandwonden met als resultaat een figuur van ijzerdraad dat nergens op leek en uit elkaar viel. Bij linoleumsnede moesten we met een guts vormen in een stuk linoleum snijden en dat werd dan ingesmeerd met verf en als een soort stempel gebruikt. Ik was zo onhandig dat ik geen verf nodig had, want ik veroorzaakte gewoon een bloedbad, met een beetje geluk van mijn eigen bloed. En bij figuurzagen raakte ik niet alleen gewond, maar kreeg ik constant woedeuitbarstingen omdat de zaagjes steeds knapten.
In de laatste klassen van de bovenbouw werd het pas echt wild. Toen kwamen er allemaal ouders handvaardigheidsles geven, leuke creatieve ouders, die ergens goed in waren. Nu moet ik voorzichtig zijn wat ik zeg, want mijn moeder was de batik-juf. Dus bij dezen: batikken was geweldig! Maar nee, bij nader inzien was het mijn geval vooral knoeien met hete was, met als resultaat een lap stof met een onherkenbare afbeelding erop, wat waarschijnlijk mijn sterrenbeeld moest voorstellen of een zon of een hartje of iets anders hippie-achtigs. Dan was er nog beeldhouwen, waarbij ik het meest lelijke hoofd ooit uit een gipsblok wist te beitelen, nadat ik eerst 3 gipsblokken verpestte omdat ik er met grof geweld op hamerde.
Maar het allerergste vond ik toch wel macramé. Er werd me wijsgemaakt dat het niet moeilijk was, maar in plaats van een mooie plantenhanger of een decoratief wandkleedje eindigde ik volledig gefrustreerd met een chaos van touw vol knopen, die ik zelfs op de kleuterschool niet eens als moederdagcadeau aan mijn moeder had durven geven.
Kortom: ik zal nooit een kunstenaar zijn. Geef me geen tijdsdruk, een canvas en een paar tubes verf en ik kledder wel wat abstracts op een doek. Geef me een week vrij, een camera en ik maak 5000 prachtige foto’s. Geef me een laptop of een notitieboekje en een pen en ik schrijf honderd verhalen. Maar zet me niet in een druk klaslokaal met een homp klei en vertel me dat ik in 2 lesuren een bronstige eland voor een ratelpopulier moet boetseren, want dan krijg je na 2 uur gewoon een homp klei.
