Ik was in Haren las net het verhaal over Loodsboot 19, het schip dat in mei 1940 zonk terwijl het een deel van de Nederlandse goudvoorraad richting Engeland probeerde te krijgen. Een tragisch verhaal natuurlijk. Een Britse loods verloor zijn leven, de oorlog hing als een donkere deken boven Europa en Nederland probeerde in alle chaos nog snel iets van nationale waarde veilig te stellen.
Maar eerlijk is eerlijk: IWIH bleef vooral hangen bij een ander detail.
Er missen nog steeds 121 goudstaven.
En vanaf dat moment werd het voor hem lastig om zich nog op serieuze historische reflectie te concentreren. Want 121 goudstaven is niet zomaar een administratief foutje uit de oorlog. Dat is geen “oepsie” in een archiefkast. Dat is een hoeveelheid geld waarbij de gemiddelde Nederlander spontaan begint uit te rekenen hoeveel werkdagen hij dichterbij zijn pensioen staat.
De Duitsers hebben destijds al honderden goudstaven uit het wrak gehaald. Daarna kwamen Nederlandse baggeraars, die in de jaren erna ook nog een flinke hoeveelheid boven water trokken. En ergens in dat hele proces verdwenen er blijkbaar ook een paar. Historici formuleren dat altijd heel netjes. Dan staat er dat goud “vermist raakte” of “mogelijk tijdens baggerwerkzaamheden verspreid is geraakt”.
Maar IWIH denkt dan toch vooral: maar natuurlijk.
Want natuurlijk geloven wij meteen dat tientallen goudstaven gewoon per ongeluk in de Noordzee zijn verdwenen. Alsof een groep baggeraars in 1946 collectief naar een goudstaaf keek en dacht: “Nee jongens, laten we professioneel blijven.”
Dat is ook het mooie aan geschiedenis. Alles wordt na tachtig jaar automatisch respectabel opgeschreven. Terwijl de realiteit waarschijnlijk gewoon was dat iemand op een regenachtige dinsdag ineens dacht: die ene staaf merkt niemand.
En geef ze eens ongelijk.
Je moet bijna bovennatuurlijk principieel zijn om tijdens het baggeren niet even te overwegen hoe zwaar een goudstaaf eigenlijk in een jaszak voelt.
Toch blijft de officiële lezing dat er waarschijnlijk nog steeds 121 staven ergens op de bodem liggen. In de Maas. In het Scheur. In de Nieuwe Waterweg. Gewoon tussen de fietsen, winkelwagens , criminelen met betonnen schoenen en de restanten van Rotterdams weekendgeweld.
En terwijl IWIH dat leest, begint werken ineens heel theoretisch aan te voelen.
Want overal hoor je tegenwoordig dat arbeid loont. Dat je moet investeren in jezelf. Carrière maken. Productief blijven. Ondertussen zit ergens onder een laag riviermodder letterlijk meer financieel perspectief dan in de gemiddelde cao-onderhandeling van de afgelopen tien jaar.
Misschien hebben goudzoekers het vroeger toch beter begrepen dan wij. Die trokken tenminste nog de wildernis in op zoek naar rijkdom, in plaats van veertig jaar achter een laptop zitten wachten tot een werkgever een keer een kerstpakket zonder droge worst en chipsschaaltjes uitdeelt.
IWIH voelt daarom langzaam een nieuw carrièrepad ontstaan. Geen columns meer. Geen deadlines. Geen plattegronden. Geen rapporten. Gewoon een duikpak, een metaaldetector en een beetje optimisme.
Want als de Nederlandse geschiedenis één ding duidelijk maakt, dan is het wel dat de echte rijkdom van dit land niet op de werkvloer te vinden is, maar er meters onder. Tussen de modder. Te wachten op iemand met genoeg wanhoop om ernaar te gaan zoeken.
