Parttimers: de plaag van ieder kantoor

Er is één categorie mensen waar IWIH steevast jeuk van krijgt: parttimers. Ja, die mensen die “bewust kiezen voor balans”, “meer tijd voor zichzelf” willen of “druk zijn met de kinderen”. Allemaal prima, leef je leven, maar waarom moet de rest van het team er iedere dag onder lijden?

Meetings plannen met parttimers is geen logistiek vraagstuk meer, het is onmogelijke tetris. Fulltimers kunnen altijd. Parttimers? Die bestaan in een soort kwantumtoestand: ze zijn er en ze zijn er niet, afhankelijk van de dag, de stand van de maan en de beschikbaarheid van oppas. “Maandag ben ik vrij.” “Dinsdag tot 12:00.” “Woensdag is mijn vrije dag.” Donderdag? “Ja, maar dan moet ik om 14:30 weg.” Vrijdag? Vrijdag is voor parttimers wat de sabbat is voor orthodoxe gelovigen: onaantastbaar, heilig en absoluut niet bedoeld voor iets dat op werk lijkt. Je hebt meer kans om een zonsverduistering te plannen dan een meeting met een parttimer.

En dan die ongemotiveerde aura dat ze met zich meedragen. Fulltimers zitten in de flow, rammen door, trekken de kar. Parttimers? Die komen binnen met de energie van iemand die per ongeluk op kantoor is beland terwijl ze eigenlijk onderweg waren naar de sauna. Om 14:57 begint het aftellen: tas dicht, jas aan, laptop half dicht. “Ik moet zo echt weg hoor.” Ja, dat weten we. Dat is je levensmotto. Je werkt drie dagen van vijf uur, niemand verwacht dat je een marathon loopt, maar een beetje inzet zou geen kwaad kunnen. Of in elk geval de illusie ervan.

Over overwerken hoeven we niet eens te doen alsof het een optie is. Fulltimers blijven hangen, pakken door, redden de boel. Parttimers? Die hebben een ingebouwde noodrem die automatisch afgaat zodra de klok hun heilige eindtijd nadert. “Nee sorry, ik ben vrij.” Vrij. Dat woord is hun schild, hun wapen, hun universele vrijbrief om nooit iets te hoeven doen dat buiten hun zorgvuldig afgebakende mini‑rooster valt. Ze rennen het kantoor uit alsof er om 15:00 een explosief afgaat dat alleen zij kunnen overleven door op tijd buiten te staan.

Maar het mooiste is: ze werken parttime, maar consumeren fulltime. Fulltime lunchpauze. Fulltime vakantiedagen. Fulltime kerstpakket. Fulltime aanspraak op alles wat leuk, gratis of lekker is. Ze zijn er maar de helft van de tijd, maar staan wel vooraan als er iets te halen valt. En dan zeggen ze met droge ogen: “Ja, maar ik werk toch ook?” Ja, klopt. Maar je werkt… minder. Veel minder.

En als je ze écht nodig hebt, een deadline, een klant die ontploft, een spoedje dat niet kan wachten, dan zijn ze natuurlijk nergens te bekennen. Niet op kantoor. Niet online. Niet telefonisch. Ze zijn “vrij”. En vrij is bij parttimers geen roosterafspraak, maar een levenshouding. Een filosofie. Een staat van zijn waarin zelfs een appje voelt als een schending van de mensenrechten.

Het wrange is dat fulltimers het bedrijf draaiende houden, maar parttimers bepalen het ritme. Alles moet om hen heen gepland worden. Alles moet rekening houden met hun schema. Fulltimers zijn de motor, parttimers zijn de rem, maar wel een rem die piept, hapert en altijd op het verkeerde moment aangrijpt.

Misschien is dat de kern van de irritatie: het systeem buigt zich in bochten voor mensen die er maar half zijn, terwijl degenen die er wél altijd staan, gewoon moeten slikken. Het voelt alsof je een huis bouwt met iemand die alleen op dinsdagmiddag beschikbaar is, maar wel inspraak wil in de kleur van de dakpannen.

Maar goed. Vandaag is het donderdag. Drie parttimers zijn vrij. Dus die spoedmeeting? Die schuiven we wel weer door. Tot volgende week. Of de week daarna. Of tot het moment dat iedereen werkt: nooit.

Plaats een reactie