IkwasinHaren ziet ze weer voorbij komen: de voor‑en‑na‑mensen. De trotse afvallers die hun oude lichaam als een soort mislukt prototype tonen. Eerst een foto van toen: een lichaam dat blijkbaar niet deugt. Dan een foto van nu: een lichaam dat wél mag bestaan. Het is de Instagramvariant van biechten, maar dan zonder schuldgevoel, alleen likes, hartjes, duimpjes en groot applaus.
Iedereen doet alsof het inspirerend is.
Maar laten we eerlijk zijn: het is morele marketing.
Want wat communiceert zo’n voor‑en‑na eigenlijk?
Niet alleen: “Kijk wat ik heb bereikt.”
Maar vooral: “Kijk hoe slecht ik was. En kijk hoe slecht jij dus nog steeds bent.”
Het oude lichaam wordt gedegradeerd tot waarschuwing.
Een soort menselijk verkeersbord: PAS OP – ZO WIL JE ER ECHT NIET UITZIEN.
En dat is de ironie: de voor‑en‑na‑mens claimt zelfliefde, maar verkoopt schaamte.
Hij zegt: “Ik ben nu beter.”
En bedoelt: “Ik ben nu beter dan jij. Veel beter.”
Het is fatshaming in zijn meest salonfähige vorm.
Niet uitgesproken, maar ingekaderd in een collage.
Niet beledigend, maar wel beschuldigend.
Niet agressief, maar wel neerbuigend.
En ondertussen applaudisseert iedereen.
Want wie durft er nog te zeggen dat het ongemakkelijk is?
Dat het voelt alsof iemand zijn oude lichaam aan de schandpaal nagelt, en daarmee iedereen die erop lijkt?
Dat het niet motiverend is, maar moralistisch?
IWIH kijkt ernaar en denkt:
Misschien is het echte probleem niet dat er 25 kilogram afging, maar dat er 25 kilogram aan oordeel over anderen bijkwam.
