Ik was in Haren wist het al bij het inpakken: de terugvlucht is altijd erger. De heenreis heeft nog iets van hoop, van verwachting, van “misschien wordt het leuk”. De terugvlucht heeft niets. Alleen vermoeidheid, teleurstelling en een lichaam dat voelt alsof het in een verkeerd gevouwen campingstoel heeft geslapen.
Hij arriveert op de luchthaven met de energie van een leeg krat bier. De vertrekhal ruikt naar vervelende kinderen, zweet en de collectieve wanhoop van mensen die beseffen dat hun vakantie voorbij is. Hij schuift aan in een rij die nergens heen lijkt te gaan, behalve richting twijfel aan de zin van het leven. Voor hem staat een gezin dat duidelijk besloten heeft dat opvoeding niet nodig is zodra men internationaal reist. Achter hem staat iemand die ademt alsof hij een longinhoudtest probeert te winnen.
Bij de security moet hij wéér zijn riem afdoen. Wéér zijn laptop uit de tas halen. Wéér zijn flesje water weggooien alsof hij een gevaarlijke terrorist is met een hydratatieprobleem. De medewerker kijkt hem aan met de blik van iemand die al 20 jaar geen plezier meer heeft gevoeld.
Aan de gate wordt omgeroepen dat de vlucht “een kleine vertraging” heeft. Dat betekent bij KLM alles tussen 10 minuten en het einde der tijden. Hij zucht. Hij weet dat dit het moment is waarop hij normaal gesproken zou besluiten nooit meer te vliegen. Maar dat heeft hij al drie keer gedaan dit jaar, dus hij bewaart zijn morele verontwaardiging voor later.
In het vliegtuig blijkt zijn stoel nog kleiner dan op de heenweg. Of IWIH is dikker geworden. Waarschijnlijk het eerste. Alsof KLM tijdens zijn vakantie besloten heeft dat knieën voortaan alleen tegen extra betaling mee mogen. De persoon naast hem eet iets dat ruikt alsof het illegaal zou moeten zijn. Achter hem zit opnieuw een kind dat zijn rugleuning behandelt als een fitnessapparaat. Hij vraagt zich af of kinderen überhaupt bestaan buiten vliegtuigen, of dat ze speciaal voor vluchten worden opgekweekt in een loods van KLM.
Dan komt het moment waar hij het meest tegenop ziet: de maaltijd. De stewardess schuift hem de bekende boterham met kaas toe, dat gastronomische oorlogsdelict. Hij weigert wederom beleefd. Ze biedt hem het halfje Heineken aan. Hij weigert minder beleefd. Hij vraagt opnieuw waarom er geen Duvel is. Ze kijkt hem aan alsof hij vraagt of hij even mag landen.
De turbulentie begint. De man naast hem klampt zich vast aan de armleuning alsof hij in een achtbaan zit. IWIH klampt zich vast aan zijn waardigheid, maar die is al halverwege de cabine verdwenen.
Na de landing klinkt de opgewekte stem: “Welkom terug. We hopen dat u een aangename vlucht heeft gehad.”
Hij niet. Hij hoopt vooral dat zijn koffer niet naar Zimbabwe is gevlogen.
Bij de bagageband wacht hij. En wacht. En wacht. Tot er eindelijk een koffer verschijnt die lijkt op de zijne, maar dan met een andere kleur, vorm en identiteit. Zijn eigen koffer komt als laatste. Natuurlijk weer als laatste.
Hij loopt naar buiten. Hij ademt de frisse lucht in. Hij voelt een zweem van opluchting.
En dan, heel even, denkt hij: “Misschien valt de volgende vlucht wel mee.”
Hij haat vliegen. Hij haat zichzelf. Maar blijkbaar is dat niet genoeg om thuis te blijven.
