Het staat daar weer.
Dat blauwe bakje ellende
dat zichzelf zwembad noemt
en door de buren wordt behandeld
als een tropisch wonder.
Eerst komt het gegil.
Kinderen die klinken
alsof ze getest worden
op hun maximale longinhoud.
Water dat opspat
alsof het mij persoonlijk
wil bereiken.
Dan de ouders.
Roepend dat het zachter moet.
Roepend dat het écht zachter moet.
Roepend dat ze roepen
omdat het anders niet helpt.
Geluid dat zichzelf
in stand houdt.
Ik probeer te lezen.
Ik probeer te denken.
Ik probeer te bestaan.
Maar alles wordt overstemd
door het ritme van plons,
krijs,
plons,
ouderlijke wanhoop.
Dus schenk ik een borrel in.
Niet uit luxe,
maar uit noodzaak.
Een soort vloeibare oordop
die maar half werkt.
En terwijl ik nip,
bedenk ik
dat sommige mensen
geluk hebben met een tuin
vol vrolijkheid.
En dat ik
helaas
hun buurman ben.
