Ooit kreeg ik tijdens therapie (naast nog wat afkortingen en vermoedelijke afkortingen, waar ik ongetwijfeld nog een keer op terugkom) de diagnose OCPD, niet te verwarren met COPD (zelfde letters, andere volgorde, volledig andere aandoening). Obsessive Compulsive Personality Disorder, ofwel dwangmatige persoonlijkheidsstoornis las ik in mijn dossier. Mijn eerste reactie: kan niet, klinkt gestoord, koekoek, ben ik niet. Totdat ik me erin ging verdiepen en moest toegeven dat ik toch wel veel herkende.
Waar ik mezelf het allermeeste in herkende, was de drang om alles vast te leggen, wat onder andere kan voortkomen uit een enorme behoefte aan controle en/of de angst te vergeten of vergeten te worden. Als kind had ik al de onweerstaanbare drang om alles te documenteren. Naast dat ik doorlopend alles wat ik had meegemaakt en alles wat maar in mij opkwam mondeling met iedereen wilde delen, wilde ik alles ook gewoon zwart op wit hebben. Of in vrolijke kleurtjes, ook prima, maar het moest en zou worden vastgelegd. In beeld of in tekst of nog beter: beide.
Ik kreeg een oude camera van mijn ouders, zo één met een rolletje erin en flitsblokjes bovenop. Dat vond ik dus geweldig, lekker de hele dag alles fotograferen wat ik de moeite waard vond (en dat was veel). Dat fotograferen is er altijd in gebleven. In de loop der jaren switchte ik naar wegwerpcamera’s. Het was een duur grapje als je er op vakantie 5 van die cameraatjes doorheen had gejaagd en als je de foto’s dan liet ontwikkelen, bleek ook nog de helft mislukt. Uiteindelijk kwam ik via een goedkope compact-camera terecht bij de iets betere digitale camera’s, een verademing als je elke vakantie duizenden foto’s maakt van steeds datzelfde meer en diezelfde berg (want elke dag zien ze er toch net een beetje anders uit).
Als kind schreef ik ook altijd veel: lijstjes, mijn dromen, een dagboek, verhalen. In mijn studententijd zeulde ik overal een groot schrift en pennen mee en noteerde ik alles wat ik zag, wat ik hoorde, observaties, rare gedachten en gedichten. Niet dat mijn leven nou zo spannend was (alhoewel een verfilming van mijn leven best Hollywood-waardig zou zijn nu ik er zo over nadenk). Maar zo weinig als er op papier belandde als ik in de collegezaal zat, zoveel schreef ik op buiten de schoolbanken. En ook dat ben ik altijd blijven doen.
Ik ben een groot fan van lijstjes. Naast boodschappenlijstjes en verlanglijstjes is er standaard wel ergens een to-do-list. Doordat ik de lat altijd hoger dan de regenboog leg en ik zowel mega chaotisch als heel perfectionistisch ben, zijn al mijn to-do-lijstjes volstrekt onhaalbaar, maar ze zijn er, ik kijk er af en toe op en word er blij van als ik er iets van kan afstrepen.
Mijn dagboeken en verhalen liggen wat gevoeliger. Omdat ik nogal veeleisend ben voor mezelf en tegelijkertijd erg onzeker en faalangstig (niet mijn schuld, komt door één van die andere afkortingen) verdween altijd 99% van mijn schrijfsels in de prullenbak. Het moest perfect en als het perfect was, was het nog niet goed genoeg, “niemand wil dit lezen, mensen gaan me uitlachen”. Het liefst zou ik alles ritueel verbranden.
En toen, BAM, was daar Ik Was In Haren. Nou ja, bam… het duurde bij hem ook ruim twee jaar voordat hij erachter kwam dat ik best leuk kon schrijven. Maar beter laat dan nooit. Ik ben er, ik ben dolblij dat hij me het vertrouwen en de kans heeft gegeven om hier mijn hersenspinsels uit te braken. Ik loop over van enthousiasme, ik bruis van de energie (schrijf ik terwijl ik lamlendig onderuit in bed lig met een laptop op mijn buik) en de inspiratie borrelt zo hard als de pasta die ik gisteravond liet overkoken. En sinds kort gooi ik geen schrijfsels meer weg, maar gooi ik alles gewoon de wijde wereld in.
