Ik was in Haren vertrekt weer vanaf BGO. Dat is al een slecht voorteken. Bergen Airport Flesland is namelijk geen luchthaven, maar een soort morbide wachtkamer waar de hoop van een mens langzaam sterft. Het is de enige plek ter wereld waar je binnen vijf minuten zowel te weinig als te veel mensen tegenkomt. IWIH voelt zich er thuis, maar dan op de manier waarop een hond zich thuis voelt in een te kleine kennel.
Het begint bij de incheckbalie. De automaat weigert zijn QR-code te herkennen. Dat doet de automaat altijd. IWIH vermoedt dat het apparaat hem persoonlijk haat. Uiteindelijk moet hij naar een balie waar iemand met de energie van een overwerkte verkeersregelaar hem aankijkt alsof hij een probleem is dat net ná sluitingstijd binnenkomt.
Dan de security. In Nederland is het vernederend, maar in Noorwegen is het efficiënt vernederend. De beveiliger zegt niets, maar zijn blik zegt: “Haal alles uit je zakken, doe je riem af en haal alle electronica uit je handbagage.” IWIH doet zijn riem af. Hij haalt zijn telefoon uit zijn zak. Hij haalt zijn laptop uit zijn handbagage. Hij haalt zijn tablet eruit. Hij haalt zijn powerbank eruit. En als laatste haalt hij zijn waardigheid eruit. Alles in bakjes. Alles door de scanner. Alles zinloos. Alles voor niets.
Bij de gate zit iedereen al klaar alsof ze auditie doen voor een rampenfilm. Een groep wandelaars met stokken die ze niet willen inchecken. Een zakenman die luid telefoneert in een taal die klinkt alsof hij ruzie heeft met alle drie zijn minaressen tegelijk. Een kind dat al huilt voordat het überhaupt iets heeft om over te huilen. IWIH weet: dit wordt weer zo’n vlucht.
Aan boord blijkt zijn stoel, uiteraard, midden. Rij 32 dit keer. Links van hem iemand die al geïrriteerd is voordat IWIH überhaupt zijn gordel om heeft. Rechts van hem iemand die meteen zijn elleboog parkeert alsof hij een parkeerplaats heeft gewonnen. Achter hem uiteraard weer een peuter die onregelmatig tegen zijn stoel trapt.
Dan komt de maaltijd. De boterham met kaas. Het culinair equivalent van een burn‑out. IWIH weigert. De stewardess biedt hem het halfje Heineken aan. Hij weigert harder. Hij vraagt om Duvel. Ze kijkt hem aan alsof hij vraagt of er een raampje open mag.
De turbulentie begint. De cabine schudt. IWIH schudt mee. Zijn zelfrespect schudt het hardst.
Na de landing klinkt de opgewekte stem: “Wij hopen dat u een aangename vlucht heeft gehad.”
Hij niet.
Hij weet één ding: Hij haat vliegen. Hij haat zichzelf. En toch boekt hij binnenkort weer. Hij zal wel moeten.
