Vandaag wordt het 34 graden.
Vierendertig.
Dat is geen temperatuur,
dat is een waarschuwing.
En dan is het ook nog Pinkpop.
Duizenden mensen
die vrijwillig
in een mensenkroket veranderen.
Ik zou het niet overleven.
Mijn lichaam perst al zweet
als ik alleen maar aan buiten denk.
Laat staan
tussen hekken, hitte,
en muziek die klinkt
alsof iemand per ongeluk
op een synthesizer is gaan zitten.
Nee.
Ik blijf binnen.
Gordijnen half dicht.
Borrel in de hand.
Met ijs
veel ijs
zolang het mag bestaan.
En ik zet jaren ’70 muziek op.
Toen gitaren nog sneden,
drummers nog zweet hadden
in plaats van samples,
en een refrein nog niet
door een computer werd uitgelegd.
Buiten smelt men.
Binnen leef ik.
Voor zover dat lukt
bij deze temperatuur.
Proost.
Op de hitte.
Op het niet‑gaan.
Op het feit dat ik
geen kaartje had
en dus vandaag
mag blijven bestaan.
