De meeste mensen kennen mij als iemand die altijd belachelijk vrolijk en ergerlijk positief is. Mensen die het dichtst bij me staan zoals mijn ouders en dochters kennen mijn verdrietjes, woede-uitbarstingen en mental breakdowns. Mensen vragen soms hoe het mogelijk is dat ik altijd optimistisch blijf en blijf lachen, ook als het tegenzit. Zelfs mijn vriend snapt niet hoe het kan dat ik altijd goede zin heb (hij heeft blijkbaar niet in de gaten dat hij daar een groot aandeel in heeft).
Maar ook ik heb dingen die ik tering-irritant vind, dingen waar mijn bloed, dat net onder mijn nagels vandaan is gehaald, van kookt.
- Chipskruimels in mijn decolleté.
- Chips die te groot zijn voor mijn mond.
- Jeuk onder mijn voeten terwijl ik schoenen aan heb (woedend stampvoeten).
- Koude voeten. Tot een jaar of 10 geleden had ik enorm veel last van wintervoeten. Ik hoefde de sneeuw maar te ruiken (ja, dat kun je ruiken) of mijn voeten begonnen al met het afstervingsproces. Ik heb nog zelden echt koude voeten (zal de perimenopauze wel zijn) maar als, dan word ik vreselijk chagrijnig.
- Koude douches. Ik douche nog liever helemaal niet dan koud. Zelfs midden in een hittegolf word ik er niet blij van.
- Douches met een zwak zeikstraaltje. Die stralen horen gewoon als een hogedrukspuit al het vuil van me af te rammen en niet als miezerige motregen een beetje lafjes langs mijn lijf te sijpelen alsof ik in een druipsteengrot sta.
- Natte sokken. Afgrijselijk! En weet je wat nog erger is? 1 natte sok. Het moet wel allemaal een beetje symmetrisch blijven.
- Ondergoed dat niet fijn zit, knelt of kruipt naar plekken waar nooit iets hoort te kruipen. Of nog erger: niet matchend ondergoed. Ik ben op de uni ooit op het toilet mijn beha gaan uittrekken, omdat ik ’s ochtend met mijn slaperige kop niet dezelfde kleur beha en onderbroek had aangetrokken. Mijn brein kon zich daar gewoon niet bij neerleggen.
- Labels in kleding. Het zijn meestal boekwerken ter grootte van Lekturama encyclopedieën en ze zijn ook nooit gemaakt van zacht materiaal, maar krassen als botte scheermesjes over je huid.
- Stickers in je schoenen, waarvan je je steeds weer voorneemt om ze eruit te trekken, maar op het moment dat je het ziet en het je irriteert, lijk je fysiek niet in staan om ze er gewoon uit te halen. Tegen de tijd dat je eindelijk zo ver bent, zijn ze versmolten met je binnenzool en lijken ze vastgeplakt met atoomlijm.
- Haakjes aan nagels en velletjes aan vingers. Ze MOETEN weg!
- Toiletpapier in losse velletjes i.p.v. op een rol. Vaak te vinden op plaatsen als sportscholen en vliegvelden. Het is daar al geen feestje om naar de wc te gaan, maar dat gepruts maakt het nog erger. Het is bijna net zo erg als mensen die maar 1 velletje toiletpapier laten hangen. Wat moet ik in hemelsnaam met 1 velletje?!? Vervang gewoon die rol!!!
- Flessen of tubes, die bijna leeg zijn. Je weet dat er nog iets in zit, je wil het niet weggooien, maar het wil er gewoon met geen mogelijkheid uit, tenzij je extreem geweld gebruikt.
- Handige hersluitbare verpakkingen, die om te beginnen al niet opengaan, laat staan dat je ze nog netjes kan sluiten nadat je ze ruw kapot hebt gescheurd.
- Misselijk zijn of helemaal dramatisch: overgeven. Iedereen die in de buurt komt, wordt verrot gescholden.
- Panty’s. Stomme dingen!
- Hooikoorts. Ik wil dan het liefst met schuurpapier over mijn oogleden wrijven, een soldeerbout in m’n neus steken en breinaalden in mijn oren.
- Losse haren op mijn huid. Onredelijk woest word ik daarvan. Ik heb een enorm gevoelige huid en ik voel elk haartje kriebelen alsof er een kolonne mieren over mijn lijf marcheert. Helemaal de rillingen krijg ik van andermans haren op mijn lijf.
- Als ik me pijn doe en vooral als ik mijn hoofd stoot. Buitenproportioneel agressief word ik daarvan en ik ga dan gegarandeerd met dingen smijten.
Maar verder ben ik een hele lieve, makkelijke, vredelievende vrouw.
