Op veertienjarige leeftijd heb ik wel eens gevist in een singel in Rotterdam. Dit was de enige serieuze poging want ik vond het slaapverwekkend. Naar een dobber met brooddeeg turen waarvan je nooit zeker wist of het deeg nog wel aan het haakje zat. Eenden die ook brooddeeg lusten. Gemeentelijke grasmaaiers om je heen die hondenpoep rondsproeien. Heel vermoeiend allemaal. Een voorntje heeft ook veel graten. Zoetwatervissen was niets voor mij. Na mijn emigratie naar Noorwegen zo’n 14 jaar geleden, ontmoette ik diverse Noorse vissers. Op mijn vraag welke zeehengel ik zou moeten kopen zei een visser, ‘de goedkoopste, ze hengelen namelijk allemaal’. In het Noors dan. Vergeet dus de dure zeehengels want het heeft geen zin om alleen voor de show een dure hengel aan te schaffen, of je moet op orka’s willen vissen.
Bij de Europris kocht ik mijn eerste zeehengel voor een paar tientjes. Zeevissen is een stuk leuker en actiever dan ‘dobbervissen’. Zeevissen, zoals makreel of kabeljauw, zijn roofvissen en happen naar alles wat beweegt dus het gebruik van een nepvisje boven de haak is genoeg. Je moet constant ingooien en binnenhalen zodat het nepvisje in paniek op en neer lijkt te zwemmen. Daar komt wat actie bij kijken en dat vind ik leuk. Zo ving ik dus mijn eerste kabeljauw, een joekel voor mij, vergeleken met het kleine voorntje dat ik ooit in die Rotterdamse sloot gevangen had. Ik denk dat hij wel drie meter lang was maar het kan ook zijn dat ik iets overdrijf en dat hij bij werkelijk meten, iets kleiner uit zou vallen. Of een heel stuk kleiner, dat kan ook.
Na het verwijderen van de haak was het moment aangebroken om de vis dood te maken met een ferme snee door de keel met mijn nieuwe aangekochte vismes. Ik had goed gekeken hoe de plaatselijke vissers dat doen want op Youtube is hierover niets te vinden. De kabeljauw keek me met intens verdrietige ogen aan en ik geef toe dat ik moeite heb met deze fase van het vissen maar ik weet dat de kabeljauw zelf er nog veel meer moeite mee heeft dan ik, dus zet ik me er overheen. Daarna gaat de vis in een bak met water tussen z’n vriendjes. Na afloop van het vissen maak ik een snee in de buik van de vis en haal de ingewanden eruit die ik als voer teruggooi in zee. Bij thuiskomst laat ik de vis een nachtje staan, fileer ik de vis de dag erna en maak er gelijke porties van voor in de vriezer. Heerlijk bakken, op de huid, in de boter met wat peper en zout. En voor de horror-liefhebbers. Er is natuurlijk een verklaring voor maar het is mij meerdere keren overkomen dat de vis, zonder hoofd, nog steeds trillingen in de spieren heeft op mijn fileerplankje in de keuken. Hij beweegt nog. Daarom laat ik de vis liever een nachtje staan.
Vissen en jagen zijn in Noorwegen echte mannen-dingen. Ik zag zelden een vrouw vissen of jagen. Opvallend is dat de enkele vrouwelijke kennissen fanatieker en succesvoller zijn in het vangen van vis dan de mannen. De man moet dan wel het visje doodmaken. Dat dan weer wel.
