Zondagochtend. Ik zet koffie. Henk staat alweer buiten met zijn heggenschaar alsof het een religieuze zondagse verplichting is, en ik open de koektrommel voor iets lekkers. Leeg. Nou ja, bijna leeg. Er ligt nog een briefje in van mijn vrouw. “Op = op. Ze heten niet meer zo.” Ik moest het drie keer lezen voor het landde.
Ze bedoelde de lekkernij. Díe lekkernij. Die chocolade halve bol met dat schuim erin die al veertig jaar bij ieder verjaardagsfeestje op tafel staat. Blijkt dat we die niet meer bij naam mogen noemen, want kwetsend. Ik zeg niks meer. Ik wijs voortaan gewoon naar de trommel en hoop dat iedereen begrijpt wat ik bedoel, als een soort Hints bij het ontbijt.
Nou vind ik mezelf een redelijk man. Ik denk altijd: oké, waar zit de kwetsing precies, laat me het even van alle kanten bekijken. En toen viel me iets op. Het werkwoord negeren, gewoon iemand links laten liggen, doen alsof hij er niet is, dat mag ineens wél gewoon blijven bestaan. Daar heeft niemand het over. Terwijl je zou zeggen: als het zelfstandig naamwoord besmet is, is het werkwoord toch minstens verdacht van medeplichtigheid? Of is taal soms net een familie op een bruiloft, de een moet zich gedragen en de ander mag zich lam zuipen en alles zeggen wat hij wil, omdat hij toevallig de tafelschikking heeft gemaakt?
En dan is er ook nog regen. Gewoon, het weer. Zelfde letters. Niemand die daar een punt van maakt, terwijl ik het toch echt zie hoor, elke keer als het buiten giet. Ik zeg niet dat we moeten stoppen met het woord regen. Ik zeg alleen: waar houdt het op? Wie bepaalt welke letters wel en niet naast elkaar mogen staan? Ik heb er in ieder geval geen zeggenschap over gehad, en dat steekt.
Henk riep vanuit de tuin dat ik “er weer eens een dingetje van maak.” Dat zei hij ook al bij de vuurwerkdiscussie. Maar ik maak er geen dingetje van, ik constateer alleen dát er een dingetje is, en vervolgens ben ik toevallig de enige die het benoemt. Dat is een verschil. Een belangrijk verschil zelfs, al kan ik op dit moment even niet precies uitleggen welk.
Dus wat doe ik? Ik koop de chocolade lekkernij gewoon, in welke verpakking dan ook, en noem hem bij mezelf nog steeds zoals ik hem altijd genoemd heb. Niet uit protest. Uit gewoonte. En als jij daar een probleem mee hebt, dan moet je toch echt bij jezelf te rade gaan waarom een woord uit een koektrommel zoveel macht over je heeft. Ik heb in ieder geval mijn koffie op, en een lekkernij om te zoenen.
