Ik zit op de bank.
Ik zit daar altijd,
elke dag, elk uur,
professioneel thuis.
En toch.
Toch bezorgen ze het pakket
bij de buren.
Alsof ik er niet was.
Alsof de bank leeg stond.
Nu moet ik naar buiten,
de deur uit,
aanbellen
bij mensen van wie ik de naam
nooit heb onthouden.
Ik neem eerst een borrel.
Voor de moed.
Voor het small talk
dat komt.
Voor het “ach, geen probleem hoor”
dat ik moet zeggen
terwijl het wél een probleem is.
De deur gaat open.
Een glimlach, een doos,
een “fijne avond nog”.
Ik loop terug naar de bank.
Ga zitten.
Alsof er niets gebeurd is.
Maar er is iets gebeurd.
Ik heb mijn huis verlaten.
Voor een pakket
dat ik niet eens besteld had.
