Als kind was ik best een waaghals. Ik deed levensgevaarlijke kunstjes op hoge rekstokken, klom in de hoogste bomen (en ja, ik viel er ook wel eens uit, dus ik zag er standaard uit alsof ik zwaar mishandeld werd), raasde met mijn fietsje van de hoogste bergen en ging in de spannendste achtbanen. Hoewel mijn vriend vindt dat ik me nog steeds gedraag alsof ik levensmoe ben (terwijl mijn acties zich beperken tot halsbrekende klusjes in huis, het bewandelen van, in zijn woorden, spannende paadjes en het beklimmen van rotsen), ben ik tegenwoordig gewoon een bange schijterd. Ik denk teveel na, ik zie teveel gevaar en ben soms een beetje koekoek.
Een greep uit mijn angsten:
- Claustrofobie. Naast de voor de hand liggende kleine ruimtes, liften en vliegtuigen kan ik ook buitenproportioneel panisch reageren als ik me omdraai in een slaapzak en dat onding zich zo om me heen wikkelt dat het voelt alsof ik gevangen zit in een dwangbuis. Hetzelfde geldt voor strakke kleding die ik moeilijk uitkrijg. Ik heb dan de neiging om een scherp mes of schaar erop los te laten.
- Acrofobie ofwel hoogtevrees. Alles wat hoger is dan een eettafel doet mijn hart op hol slaan. Ik klim wel op een rots, een berg of een ladder en dat gaat ook goed, zolang ik niet nadenk. Zodra ik ga nadenken, gaat het mis. En recht naar beneden kijken… moet ik ook niet doen.
- Bij enge attracties speelt niet alleen hoogtevrees een rol, maar ook de angst om controle uit handen te geven. Een achtbaan o.i.d. moet voorspelbaar zijn en niet ineens onverwachte bewegingen maken of ineens over de kop gaan ofzo. Diezelfde angst uit zich in heel veel dagelijkse bezigheden. Er zijn maar weinig mensen bij wie ik volledig op mijn gemak in de auto zit en achterop een fiets (of nog erger: een scooter of motor) vind ik helemaal de hel. Omdat ik niet de controle heb om bij te sturen of te remmen. En zelfs als ik in control ben, wil ik nog meer controle. Als ik zelf bergaf fiets, houd ik doorlopend de rem in zodat ik maar niet te snel ga. Skiën doe ik alleen maar slalommend of “in flug”, zodat ik niet teveel vaart maak.
- Bovenstaande angsten hebben er mede voor gezorgd dat ik pas op mijn 47e voor het eerst in een vliegtuig stapte. In een vliegtuig ga ik hoger dan ik me kan voorstellen, kan ik niet weg als er iets gebeurt en heb ik nul controle als het misgaat. Daarnaast begrijp ik gewoon niet hoe zo’n groot zwaar gevaarte vol met mensen in de lucht kan blijven hangen. Hetzelfde heb ik met schepen. Mijn brein snapt niet dat een half dorp niet naar de bodem van de zee zinkt.
- Angst om over te geven, ofwel emetofobie. Ik raak al in paniek als ik misselijk word en ik zal er vervolgens alles aan doen om tegen te houden dat ik ga overgeven of het op z’n minst zo lang mogelijk uit te stellen. En nee, bij mij werkt het dus ook niet zo dat het oplucht als het eenmaal gebeurd is. Op het moment dat het gebeurt, sluit ik mezelf het liefste op en er mag absoluut niemand bij me. Het voelt alsof ik mijn ingewanden eruit gooi, alsof ik mezelf binnenstebuiten kots, kortom alsof ik sterf. Ik jammer als een klein kind en na afloop zak ik in elkaar op de vloer en blijf daar liggen totdat iemand me opraapt. Lekker dramatisch.
- Angst voor het donker, ofwel nyctofobie. Logisch ook, vind ik. Het is toch gewoon doodeng om niets te zien, niet te weten wie of wat er in je buurt is en wat er om je heen gebeurt. En bovendien is het vet onhandig, want je kunt overal over struikelen, je teen stoten of in een diep gat lazeren (één van mijn terugkerende nachtmerries). Nou ben ik niet meer op een leeftijd dat ik met een schattig nachtlampje ga slapen, maar ik slaap dus wel altijd met de gordijnen wagenwijd open, zodat de straatverlichting of de maan mijn slaapkamer verlichten. Als ik ’s avonds laat in mijn eentje thuiskom, maak ik eerst in alle ruimtes het licht aan, loop ik alles langs, check ik onder bedden, in kasten of alles veilig is en pas dan plof ik enigszins gerust op de bank of in bed. Geen idee wat ik denk aan te treffen onder mijn bed, maar ik moet zeker weten dat de kust veilig is.
- Angst voor de tandarts. Hierover volgt later meer.
Het lijkt nu net alsof ik constant heel angstig door het leven ga en elke enge situatie loop te vermijden. Dat valt wel mee hoor. Ik leid een redelijk onbezorgd leven. En ik probeer op sommige gebieden mijn grenzen toch steeds op te zoeken en als iets me dan toch lukt zonder dat ik huilend en wiegend in de foetushouding in een hoekje eindig, voel ik me alsnog een enorme held.
