Zonder het te vragen
zit ik er nu in.
Iemand, ik weet niet eens wie,
heeft mij toegevoegd
aan de buurt.
Sindsdien trilt mijn telefoon
als een hart met ritmestoornis.
Die jongen van nummer 7
is gevallen met voetbal.
Nou. Dat overleeft hij wel,
denk ik, tussen twee irritaties door.
Arie heeft een hond.
Ik heb geen vraag gesteld
over Arie.
Ik heb geen vraag gesteld
over een hond.
En dan, om vier uur ‘s middags,
midden in mijn stilte:
de cavia van Lisette
heeft hartproblemen.
Ik ken Lisette niet.
Ik ken de cavia niet.
Ik wil Lisette noch de cavia kennen,
levend of anderszins.
Er is een knop, heb ik gehoord,
“groep verlaten”.
Ik durf hem niet in te drukken,
uit angst dat ze het zien,
dat er iets van mij wordt gezegd
in een groep waar ik niet meer bij hoor
maar waar ik, in gedachten,
voor altijd in blijf zitten.
Dus laat ik het maar trillen.
Ik zet het geluid uit,
mezelf niet.
En terwijl nummer 7 herstelt,
Arie’s hond wordt uitgelaten
en de cavia, ik hoop het beste,
ik hoop het niet te hard,
schenk ik mezelf een borrel in,
hier, op mijn eigen bank,
in mijn eigen stilte,
die van niemand een update behoeft.
