IWIH reed zaterdag met de Bybane naar het centrum voor een paar sokken. Drie kwartier later stond hij in een pashokje een spijkerbroek aan te trekken die zeven mensen voor hem ook al hadden gepast, beoordeeld en te licht of te strak bevonden. De prijs op het kaartje was €27 hoger dan wat hij een week eerder op zijn telefoon had zien staan, voor exact dezelfde broek, in dezelfde kleur, gemaakt in dezelfde fabriek, door dezelfde zielige kindertjes. IWIH noemt dit de fysieke winkeltoeslag: geld betalen voor het privilege om zelf het werk te doen dat een algoritme gratis voor je doet.
Bij de kassa werd hij aangesproken door een medewerker die wilde weten of hij “nog ergens mee geholpen” moest worden. Dat wilde hij niet. Vijf minuten later wist IWIH toch alles over de hond van de medewerker, een border collie genaamd Bruce die “eigenlijk best wel slim is voor zijn leeftijd.” Maar slimme Bruce die ook de hele keuken had ondergekotst. Hij had daar niet om gevraagd. Niemand vraagt daarom. Toch krijgt iedereen het. Service van de winkel.
Zijn maat lag niet in het rek. Of hij misschien “even” wilde wachten, “even kijken of er nog wat in het magazijn ligt.” IWIH wachtte twaalf minuten op een antwoord dat een website in 0,2 seconden had gegeven: niet op voorraad. Maar dan zonder het gezeik.
Wat een fysieke winkel eigenlijk is, concludeert IWIH, is een wachtkamer met kassa’s. Een plek waar je betaalt om vreemden aan te laten raken wat jij straks aantrekt, om meningen te krijgen over honden, en om te wachten op mensen die ook niet weten waar het product is. De winkel doet zijn best. Teveel zijn best. Dat is het probleem.
Thuis, op de bank, bestelde IWIH dezelfde broek in twee maten, wetende dat hij er eentje terugstuurde. Geen Bruce, geen rij, geen korting op waardigheid. Hij bespaarde die middag drie kwartier, 27 euro en het beeld van een kotsende border collie.
Winst, noemt IWIH dat. Zowel financieel als mentaal.
