Er hangen vlaggetjes aan de lantaarnpalen.
Ik heb ze niet opgehangen.
Ergens vanaf zaterdag tien uur
staat er een luchtkasteel op het grasveld,
te zacht opgeblazen,
als een belofte die nog moet wennen aan zichzelf.
Ik heb niet gereageerd op de uitnodiging.
Dat was ook een vorm van antwoord,
dacht ik zo,
maar de deurbel dacht daar anders over.
Er komt muziek.
Niet mijn muziek.
Muziek die vindt dat iedereen nu blij moet zijn,
op hetzelfde harde moment,
op hetzelfde harde volume.
Er wordt gebarbecued.
De rook trekt precies
langs mijn openstaande raam naar binnen,
alsof hij weet waar ik woon
en het daar niet bij laat.
Kinderen springen op het luchtkasteel
tot het kreunt.
Ik ken dat gevoel.
Om vier uur zal iemand vragen
of ik ook nog kom.
Ik zal zeggen dat ik zo kom.
Dat is de tweede vorm van antwoord.
Ik schenk mezelf een borrel in
en kijk door het gordijn
naar iedereen die gelukkig is
zonder mij,
wat, eerlijk gezegd,
verrassend goed lijkt te gaan.
