De mail komt altijd op vrijdagmiddag. Zodat je er het weekend nog eens rustig over kunt nadenken. IWIH ziet de ellende al voordat hij hem opent “Teambuilding met overnachting”.
Maandagochtend ligt het eerste briefje op het bureau van de manager. Kristine’s man, blauwe pen, doktersstijl handschrift: zijn vrouw is die dagen ongesteld. Die ongesteldheid is wel erg onregelmatig dit jaar, merkt IWIH op, zonder er iets mee te doen. Stig meldt zich telefonisch af, gebroken stem, zijn oma is overleden. Dezelfde oma als in maart. Dezelfde oma als in juni. Een vrouw met een uithoudingsvermogen die het bedrijf zelf goed zou kunnen gebruiken. Elene stuurt ongevraagd aan het hele team een foto van haar cavia met het onderschrift “hij redt het niet zonder mij twee nachten”, en niemand vraagt door, want niemand wil het antwoord weten.
Van de vijftig collega’s blijven er tien over. IWIH is er daar één van, niet uit overtuiging maar bij gebrek aan een geloofwaardig excuus. Hij heeft geen cavia, geen oma meer om te begraven, en ongesteld worden zit er voorlopig niet in.
Noorwegen ontvangt hen zoals altijd: horizontale regen, acht graden, een instructeur die het “verfrissend” noemt. Het programma is sportief en buiten, wat in de praktijk betekent: buiten, in de regen, sportief lijdend. ‘s Middags is er een sessie over leiderschap, gegeven door een externe met een flip-over en het geloof dat trustfalls iets bewijzen. Tegen etenstijd wordt duidelijk wie tijdens het noodweer daadwerkelijk het voortouw neemt, en wie exact op het juiste moment “hoofdpijn” krijgt en zich terugtrekt naar de slaapzaal, een vaardigheid die, bedenkt IWIH, minstens zo veel moed en inzicht vergt als de rest.
De slaapzaal deelt hij met vijf man, één wc, één wastafel, geen internet. Om elf uur ‘s avonds ligt hij wakker naar het plafond te staren en denkt aan Kristine, Elene en Stig die op dit moment gewoon thuis op de bank zitten, droog, met wifi, wachtend op niets.
Hij noteert het voor volgend jaar. Niet het excuus. De datum.
