1 april is de dag waarop bedrijven, winkels en kranten laten zien wat ze werkelijk van hun klanten vinden: niets. Helemaal niets. Het is de jaarlijkse nationale vernederingsdag, waarin organisaties massaal besluiten dat hun publiek niet meer is dan een verzameling goedgelovige infantielen die je zonder schaamte kunt misleiden, uitlachen en daarna weer laten betalen.
Marketingafdelingen draaien overuren om “grappen” te bedenken die zelfs een middelbare‑schoolkrant zou afkeuren. Winkels kondigen producten aan die niemand wil, niemand nodig heeft en niemand grappig vindt. Ze presenteren het als creativiteit, maar het is gewoon luiheid met een strik eromheen. Een infantiele leugen, verpakt als humor, gepresenteerd met de arrogantie van iemand die denkt dat jij toch wel klapt.
Kranten doen vrolijk mee. Ze publiceren nepnieuws dat zo doorzichtig is dat het een directe belediging van je intelligentie is. En ondertussen kijken ze je aan met die blik van: “Kom op, lach nou even mee, anders ben jij de zure zeikerd.”
Nee. Jij bent niet de zure zeikerd. Zij zijn de pure minachting.
1 april is geen grap. Het is een machtsfantasie.
Een jaarlijkse oefening in neerbuigendheid.
Een moment waarop bedrijven zich even superieur mogen voelen door hun eigen klanten te misleiden, en dat dan presenteren als “grappige traditie”.
En het publiek? Dat moet dankbaar zijn.
Dankbaar dat ze voor de gek zijn gehouden.
Dankbaar dat hun tijd is verspild.
Dankbaar dat hun vertrouwen weer een tik heeft gekregen.
Het is bijna aandoenlijk hoe weinig zelfbewustzijn erachter zit. Alsof bedrijven werkelijk denken dat dit een vorm van verbinding is. Alsof je een relatie opbouwt door iemand bewust te misleiden en daarna te verwachten dat ze applaudisseren.
1 april is de dag waarop organisaties hun masker laten vallen en hun ware gezicht tonen: neerbuigend, gemakzuchtig en totaal losgezongen van de realiteit van hun eigen klanten. De nationale klantvernederingsdag, waarbij ze jou het liefst nog met hun logo in de krant zetten.
