Af en toe ontmoet ik jongens hier in Noorwegen die over enige tijd de militaire dienstplicht gaan vervullen. Sinds 2015 geldt dit ook voor de meisjes, hoewel op vrijwillige basis. Nederland heeft de dienstplicht al jaren ‘opgeschort’. Sinds 22 augustus 1996 werden er al geen nieuwe dienstplichtigen meer opgeroepen maar formeel is er in Nederland nog steeds een militaire dienstplicht. Mensen van mijn leeftijd denken nog altijd met meestal warme gevoelens terug aan die periode. De verveling en de onzinnige zaken zijn vergeten, de kameraadschap en leuke ervaringen blijven je bij.
In maart 1984 moest ik mij melden bij de Wilhelmina kazerne in Ossendrecht. Na een liefdevol ontvangst kleedden we ons om in groene overal en klommen in vrachtwagens met gesloten huif. Iemand zag erop toe dat we niet naar buiten keken. Ik schat dat er anderhalf uur verstreken was toen we merkten dat we een buitenweg opreden. Na nog een half uur kwam de vrachtwagen tot stilstand. Ossendrecht ligt vlak bij België dus er deden al verhalen de ronde dat we op een geheime buitenlandmissie waren. De achterzijde van de vrachtwagen ging open en we moesten eruit. We stonden in een bos en het sneeuwde. De plunjebalen moesten we openen en alles wat niet groen of van staatswege was, werd verzameld en elders opgeborgen. Sigaretten en dergelijken waren toegestaan maar voor de rest niets. Er werd door ons een kampement aangelegd van kleine puptentjes en een grote tent als eetzaal, een watertank als drinkplaats (en om je achterste te wassen), een latrine (een geul in de grond met een zeiltje ervoor) en looppaden met alle dennenappels die we in het bos konden vinden (Het is echt waar). We kregen te horen dat dit tien dagen lang ons huis zou zijn waar de militaire beginselen zouden leren.
Een onderdeel van dit kamp was het in de laatste twee dagen en nachten, ongezien, van punt A naar punt B via C te lopen. Werd je gesnapt door de rondrijdende jeep, dan werd je teruggebracht naar het kamp alwaar het slecht met je af zou lopen wegens overplaatsing naar het Oostfront of zo. Les 1: dreigen werkt. Zolang de bedreigde maar iets te verliezen heeft. Niemand werd gesnapt. We gingen in groepjes en mijn groepje bestond uit een Amsterdammer die volgens mij Martin heette, een Surinaamse jongen van hooguit 1.60 meter en twee boerenjongens uit Drenthe. In de dagen voor we op pad gingen was er al sprake van slaaptekort en rantsoen op voedsel en dat werkte door in de komende nachten zonder slaap en voedsel. Het voedsel tijdens de tocht bestond uit een persoonlijk voedselpakket waar vermoedelijk voldoende energie in zat voor een dag wachtlopen, maar niet voor een complete avondvierdaagse in twee dagen en nachten. Alle vier hadden we op de laatste dag onze krachten verbruikt maar onze Surinaamse collega was er conditioneel slechter aan toe. Hij kon niet meer. Hier was een discussie, hem achterlaten langs de kant van de weg zodat hij kon worden opgepikt door de rondrijdende Jeep, of hem beurtelings dragen terwijl een ander zijn bepakking droeg. De twee boeren waren snel klaar. ‘We laten hem achter want we hebben een opdracht’. Dat zeiden ze echt! Les 2: ‘befehl ist befehl’ is niet persé een Duitse uitspraak. De Amsterdammer en ik waren sprakeloos en na nog wat discussie besloten we hem beurtelings op onze rug te dragen terwijl de ander drie bepakkingen droeg. Die van zichzelf, die van onze Surinaamse vriend, en die van de drager van de Surinaamse vriend. We hebben zo onze tocht volbracht en hier komt Les 3: als je denkt dat je kapot bent kun je nog honderd kilometer met een olifant op je rug.
Na tien dagen in het kamp ruimden we alle dennenappels op, was daarmee onze praktijkopleiding ten einde en stapten we weer in de vrachtwagen. Het achterzeil mocht openblijven. Na een bosrit van vijftien minuten staken we de hoofdweg over en reden de kazernepoort binnen. Ja die waar we vertrokken waren. Nog veertien maanden dienst voor de boeg.
Dienstplicht is niet meer mogelijk in Nederland of het moet ‘vrijwillige’ dienstplicht zijn. Ik zie het gehuil van bepaalde groepen al voor me op berichten via Twitter of Facebook over micro agressie of een verzoek om veilige ruimtes. Dat kunnen de standaard formulieren in het leger niet aan. Als negentienjarige hoopte ik een snor op mijn bovenlip te groeien en op appél vroeg een sergeant mij wat ‘dat op mijn bovenlip was’? ‘Ik laat mijn snor staan sergeant’, was mijn antwoord. Hij vertelde mij dat ik daar toestemming voor nodig had van de Kapitein. Ik kon een schriftelijk verzoek, een zogenaamd VRA, indienen. De dag daarna kreeg ik het VRA terug met het antwoord van de Kapitein. ‘Indien mogelijk’ en tijdslimiet ‘binnen drie dagen’.
Defensie moet maar uit beroepsmensen blijven bestaan. Is voor iedereen beter.
