Ik was in Haren merkt het elk jaar weer: 4 mei is de dag waarop Nederland twee minuten stil is. Tenminste, buiten. In de hoofden is het drukker dan ooit.
De dodenherdenking was ooit bedoeld als een moment van rust. Even geen meningen. Even niet praten. Gewoon stilstaan bij iets wat groter is dan jezelf. Dat idee houdt het tegenwoordig vol tot ergens net na Koningsdag, waarna het langzaam overgaat in een jaarlijkse discussie over wie er eigenlijk recht heeft op die stilte.
Want stilte is niet meer gewoon stilte. Het is een soort morele VIP-ruimte geworden. Je mag er alleen naar binnen als je het juiste verhaal bij je hebt, en vooral: als niemand bezwaar tegen je maakt.
De een is niet Joods genoeg.
De ander nog niet lang genoeg dood.
De derde stond aan de verkeerde kant.
En de rest moet vooral even uitleggen wat ze hier precies komen doen.
Ik was in Haren kijkt ernaar en denkt dat het ergens indrukwekkend is: hoe we zelfs van niets doen een selectieprocedure hebben weten te maken. Want daar gaat het allang niet meer over herdenken, maar over rangorde. Over wie het meeste recht heeft op die twee minuten. Wie het zuiverst is. Wie het minst fout zit. Alsof geschiedenis een lidmaatschap is waar je elk jaar opnieuw voor moet solliciteren.
En ondertussen verwachten we wel dat we om acht uur ineens synchroon stil zijn. Alsof een land dat het hele jaar door ruziet over alles, van stikstof tot coronavaccins, zich twee minuten lang gedraagt als één geheel.
Dat lukt meestal nog wel.
Twee minuten.
Daarna begint het weer. Wie er niet had mogen staan. Wie er te hard bij stond. Wie er te weinig bij voelde. Wie er überhaupt bij hoorde. Alsof zelfs stilte niet veilig is voor interpretatie.
Ik was in Haren haalt zijn schouders op. Hij stopt twee minuten met digitaal mensen afknallen. Twee minuten lang. Niet omdat hij precies weet hoe het moet, maar omdat het misschien juist daarom nog het proberen waard is.
En daarna weet iedereen weer wie het fout deed.
