Zondagochtend. Koffie, tompouce, de radio aan. Buiten hangt nog een oranje vlaggetje aan de overkant, een beetje verkleurd, een beetje verlaten. Net als de rest van de straat, eigenlijk. Vorige week nog kleurde heel Nederland oranje en rood-wit-blauw. Auto’s met vlaggetjes. Balkons met spandoeken. Iedereen ineens weer trots op zijn geboorteland. Mooi was dat.
En nu? Weg. Verdwenen. Alsof het WK nooit gebeurd is.
Nederland verliest één keer op het WK en ineens is iedereen zijn nationale trots kwijt. Erger nog: mensen gaan andere landen steunen. België. Noorwegen. Zelfs Engeland. Ik hoorde de buurman gisteren nota bene “come on England” roepen, terwijl die man nog geen week geleden zijn schutting oranje had geschilderd. Oranje! Voor de sier! En nu ineens Engeland.
Dat noem ik geen nationalisme. Dat noem ik windvaan-gedrag. Een echte Nederlander steunt Nederland, punt. Ook als we verliezen. Vooral als we verliezen. Dat is nou juist het mooie van vaderlandsliefde: die stopt niet zodra het even tegenzit. Anders is het geen liefde, dan is het gewoon fanschap, en fanschap kun je overal kopen, bij de Primark, twee oranje shirts voor tien euro.
Maar het ergste is nog wat je er eigenlijk mee zegt. Want als jij als Nederlander achter Noorwegen of België gaat staan, wat is dan je boodschap? Juist: “Kom maar hier, jullie zijn geweldig, wij vinden jullie fantastisch, welkom in ons land.” Dat is toch het signaal dat je afgeeft? Een rode loper voor iedereen die toevallig beter kan voetballen dan wij.
En dan roepen we hardop dat Ter Apel vol zit. Dat er geen plek meer is. Dat de asielinstroom onhoudbaar is. Maar ondertussen staan we massaal het Belgische elftal aan te moedigen alsof we een uitnodigingskaartje versturen. “Lieve Belgen, welkom, blijf gerust een paar jaar.” Zo werkt dat natuurlijk niet, maar het voelt niet goed. En als iets niet goed voelt, moet er iets aan gebeuren.
Want besef even wat je doet, buurman, als je “come on England” staat te roepen met je biertje in de hand. Jij bent niet gezellig aan het meesupporteren. Jij staat persoonlijk de grens open te zetten. Terwijl de rest van Nederland het over stikstof heeft en over volle azc’s, sta jij in je eigen achtertuin een rode loper uit te rollen voor heel Engeland. “Kom maar, wij vinden jullie geweldig, wij hebben altijd al een Engelsman als buurman gewild.” Zeg dat nou niet hardop, natuurlijk, maar je zegt het wel. Met je stem. Met je shirt. Met je vlaggetje dat toevallig net op tijd van kleur is verschoten.
En het gekke is: diezelfde mensen die zondag nog boos zijn over de instroom, die staan maandag alweer een ander land te steunen op het EK korfbal, het WK schaatsen, noem maar op. Alsof het niets kost. Alsof het geen signaal afgeeft. Maar het kost wel iets. Het kost onze grens een stukje geloofwaardigheid, elke keer opnieuw.
Dus nee, ik vraag niemand om te vertrekken. Ik vraag alleen: kijk eens in de spiegel voor je “vamos” roept. Denk aan Ter Apel. Denk aan de wachtlijsten. Denk aan wat je eigenlijk zegt tegen die achttien landen op het WK elke keer als je even niet meer achter je eigen elftal staat.
De overheid hoeft de grens niet open te zetten. Dat doen jullie zelf al, elke zomer weer, met een biertje in de hand en het volkslied van een ander op de lippen.
Schaam je alsjeblieft!
