Mijn hoofd is een kerkklok
die alleen nog bonkt.
Mijn neus: een fontein
zonder uitknop.
Mijn keel: schuurpapier,
grofkorrelig, extra grof.
Ademen is een strijd geworden
die ik niet meer beheers.
Men noemt dit een verkoudheid.
Men heeft het mis.
Dit is het einde.
Ik voel het.
Ergens tussen mijn sinussen
zit de dood zich te vervelen.
Dus zet ik een handdoek op mijn kop,
buig over een kom
gekookt water
en een scheut vieux,
niet om te drinken,
nog niet.
Ik stoom.
Ik zweet.
Ik ruik naar natte hond
en verloren gevechten.
Boven de kom
hang ik als een orakel
dat alleen nog fluistert:
“Waarom.”
“Waarom ik.”
Na tien minuten
is er niets genezen.
Alleen de handdoek is drijfnat
en ik iets minder overtuigd
dat ik dood ga vandaag.
Morgen misschien.
Ik schenk in.
Voor de moed.
Of bij wijze van laatste woord.
