Ik heb niks tegen Koningsdag. Echt niet. Ik vind het zelfs een van de betere nationale tradities, want het is de enige dag waarop Nederland officieel toegeeft dat werken onnodig is. Een dag waarop ik zonder schuldgevoel kan doen wat ik het beste kan: niets.
Maar ergens voelt het niet goed. Want terwijl ik mijn vrije dag zorgvuldig benut, staat er één man in het midden van het land die een compleet circus om zich heen heeft gebouwd. En wie mag er voor betalen? Ik. De belastingbetaler met een afbladderende thermoskan en een zorgpremie die elk jaar stijgt alsof het een luxeproduct is.
Ik zeg het eerlijk: ik gun de Koning zijn feestje. Laat hem zwaaien, laat hem zingen, laat hem een stad blokkeren alsof hij een popster is die per ongeluk in een provinciestad is geland. Maar dan wel op eigen kosten. Als ik een feestje geef, moet ik ook zelf de bitterballen afrekenen. Dat heet volwassen worden.
Waarom moet ik meebetalen aan een podium waar hij op kan staan alsof hij de frontman van een coverbandje is die alleen “Het Wilhelmus” kent? Waarom moet ik dokken voor beveiliging die meer kost dan de totale jaaromzet van een snackbar met drie friteuses? Waarom moet ik bijdragen aan een rondvaart door een stad waar hij alleen komt als het in zijn agenda staat? En wanneer hij daar zin in heeft?
Ik vind het prima dat we een Koning hebben. Ik vind het zelfs schattig dat hij ceremonieel is. Maar dan moet hij ook ceremonieel betalen. Een Tikkie naar zichzelf. Een betaalverzoek met als omschrijving: “Voor mijn volk en het land. Groetjes, WimLex.”
Tot die tijd vier ik Koningsdag op mijn eigen manier: met rust, koffie, een oranje tompouce en de stille wetenschap dat ik in ieder geval niet degene ben die een stad moet platleggen om een beetje aandacht te krijgen.
