IWIH ziet hem telkens weer opduiken, de Linkse Man, alsof ergens op een forum een morele rookmelder is afgegaan. De Linkse Man verschijnt nooit spontaan; hij materialiseert. Een digitale geestverschijning die alleen zichtbaar wordt wanneer een vrouw op internet een discussie voert met een man. Het maakt niet uit waarover. Politiek, broodroosters, of de vraag of een avocado een vrucht of een lifestyle is. De Linkse Man stormt binnen met de energie van een held die zijn cape vergeten is maar zijn morele gelijk niet.
Hij typt dan iets als: “Pfoe… ik vind het zo erg dat mannen dit doen. Ik schaam me diep voor mijn geslacht.” En hij meent dat. Of in elk geval: hij meent het zolang iemand meekijkt. Dat is zijn superkracht: morele oprechtheid die zo hard probeert oprecht te zijn dat het er aan de achterkant dun weer uit loopt. Hij redt vrouwen die niet gered willen worden, maar wel bekeken, van mannen die niet per se iets fout doen, door zichzelf in het midden te plaatsen als een morele verkeersregelaar die niemand heeft aangesteld.
De Linkse Man weet ook precies wat iedereen fout doet. Hij heeft een ingebouwde foutendetector die constant piept. Jij eet te veel vlees. Jij rijdt niet elektrisch. Jij stemt verkeerd. Jij gebruikt woorden die in 2019 al problematisch waren. Hij is de man die op een verjaardag uitlegt dat jouw kaasplankje eigenlijk een koloniale reconstructie is, en dat hij dat heel moeilijk vindt, maar dat hij je niet veroordeelt, want hij is beter dan dat. Hij wil mensen “aanspreken op hun gedrag”, maar doet dat uitsluitend in tweets die beginnen met “Mensen…” en eindigen met “Doe beter.” Hij tagt niemand. Hij spreekt niemand aan. Hij is een morele sprinklerinstallatie: hij sproeit schuldgevoel in alle richtingen en hoopt dat iemand nat wordt.
Het mooiste moment is wanneer hij vertelt hoe zwaar hij het heeft met mannen die vrouwen lastigvallen in DM’s. “Ik word er misselijk van dat mannen dit doen. Ik snap niet hoe ze het durven. Ik ben zó anders.” En dan wacht hij. Tot iemand zegt: “Wat goed dat jij dit zegt.” Dat is zijn dopamine. Zijn deugpunt. Zijn digitale knuffel. Hij leeft op waardering zoals een buidelrat leeft op alles wat hij tegenkomt: obsessief, nerveus en altijd nét te gretig.
In zijn natuurlijke habitat, een ecosysteem van schuldgevoel, opiniedraadjes en half gelezen artikelen over intersectionaliteit, beweegt hij zich als een morele vleermuis. Hij fladdert van discussie naar discussie, zuigt een druppel verontwaardiging op en vliegt weer door. Hij is de influencer van het geweten, de personal trainer van de moraal, de man die zichzelf elke ochtend in de spiegel toespreekt: “Vandaag ga ik weer iemand redden die niet gered wil worden.” Zijn zelfbeeld is zo fragiel dat het eigenlijk onder glas in een museum zou moeten liggen.
Uiteindelijk wil hij maar één ding: waardering van vrouwen die hem nooit hebben gevraagd om iets te doen. Hij hoopt dat iemand zegt: “Wat ben jij anders dan andere mannen.” En dat hij dan kan antwoorden: “Ja… dat weet ik.” Hij is de man die zijn eigen deugdzaamheid als een soort digitale parfum over het internet verstuift, in de hoop dat iemand zegt dat hij lekker ruikt.
En hij blijft komen. Elke dag. Elke discussie. Elke kans om te laten zien dat hij beter is dan de rest.
