IWIH ziet het steeds weer. Mannen die single zijn, dag en nacht op hun PlayStation zitten, en dan oprecht verbaasd kijken dat niemand hen wil. Alsof romantiek een DLC is die vanzelf unlockt na 200 uur speeltijd.
Volgens Ik was in Haren is de PlayStation‑man een fascinerend wezen. Een soort evolutionaire tussenfase tussen mens en bankkussen. Hij leeft in een ecosysteem van pizzadozen, halflege energydrinkblikken en een controller die meer lichaamswarmte van hem heeft gevoeld dan welk levend wezen dan ook.
Mannen die denken dat vrouwen vallen voor iemand die trots vertelt dat hij “gisteren tot kwart voor vier nog even een boss heeft geprobeerd”. Mannen die geloven dat een achievement een persoonlijkheidskenmerk is. Mannen die hun zelfbeeld ontlenen aan het digitaal neerknallen van vijanden, omdat dat de enige plek is waar ze nog iets kunnen winnen.
En dan dat gezicht, dat pure, kinderlijke onbegrip, wanneer ze weer eens alleen thuiskomen in hun studio van 40 vierkante meter. “Hoe kan het nou dat ik geen relatie heb?” vraagt de PlayStation‑man zich af, terwijl hij met zijn triggers de zoveelste digitale vijand wegschiet. Het antwoord is simpel: aantrekkingskracht werkt niet op 30 fps. Zelfs niet op 60 fps.
IWIH kijkt ernaar met een mengeling van medelijden en lichte walging. Niet omdat hij beter is, maar omdat hij tenminste weet dat je jezelf niet moet verliezen in een console die je meer updates geeft dan complimenten.
Gelukkig heeft IWIH zichzelf nooit zo laten gaan. Hij heeft daar bewust voor gekozen. En een Xbox.
