Ik was in Haren hoort het al weken: parttimers die zuchten dat ze “echt toe zijn aan vakantie”. Alsof ze net een winter hebben doorgebracht in een Limburgse kolenmijn. IWIH kijkt dan op van zijn scherm, waar hij voltijd de boel overeind houdt, en ziet iemand met een 0,6-contract die eruitziet alsof die persoon zojuist een marathon heeft gelopen. Gisteren vrij. Vorige week woensdag ook. En volgende week maandag weer.
Het fascineert IWIH hoe parttimers hun vrije dagen zien als een soort mensenrecht, maar hun werkdruk als een natuurramp. “Ik ben zó moe.” Ja, dat krijg je als je structureel drie dagen per week niet werkt. Het lichaam raakt in de war. Het denkt dat het met pensioen is.
En dan komt de zomer eraan. De heilige periode waarin voltijders eindelijk één keer per jaar durven te fluisteren dat ze misschien óók een paar dagen vrij willen. Maar dat kan natuurlijk niet, want de parttimers zijn al weg. Die moeten “opladen”. Van wat, weet niemand. Misschien van het idee dat ze ooit fulltime zouden moeten werken.
IWIH vindt eigenlijk dat parttimers in de zomer gewoon moeten doorwerken. Niet uit wrok, maar uit efficiëntie. Als je al standaard een dag per week niet komt opdagen, kun je in juli best even blijven. Dan kunnen de voltijders, de mensen die het bedrijf daadwerkelijk draaiende houden, misschien een keer zonder schuldgevoel een out‑of‑office instellen.
Maar IWIH weet hoe dit afloopt. In juli is de helft weg, in augustus de andere helft, en IWIH zit weer met drie mailboxen, vijf takenpakketten en het morele gewicht van een bedrijf dat leunt op mensen die wél komen opdagen.
En toch zal niemand het zeggen. Behalve IWIH. Die heeft toch niet zoveel te doen.
