Ik had me voorgenomen
vandaag niets te maken.
Geen woorden, geen zinnen,
geen metaforen die doen alsof ze iets voorstellen.
Maar toen begon de koelkast weer te brommen,
op die manier waarop alleen apparaten dat kunnen:
passief-agressief,
alsof hij mij wil herinneren
aan alles wat ik niet ben.
Ik schonk een glas in.
Niet omdat ik dorst had,
maar omdat stilte altijd beter smaakt
met een randje.
En toen gebeurde het weer:
een zin.
Uit het niets.
Als een vlieg die je niet hebt uitgenodigd
maar toch rond je hoofd blijft cirkelen.
Ik haat dit.
Ik haat gedichten.
Ik haat dat ik ze blijf schrijven
alsof ik een soort literaire lekkage heb
die niemand kan repareren.
Dus hier is het dan.
Het gedicht dat ik niet wilde schrijven.
Over een koelkast,
een glas,
en mij, een man die beweert
dat hij geen alcoholist is.
Maar goed.
Noem het maar kunst.
Ik noem het vrijdagmiddag.
