Ik was in Haren had het al langer vermoed, maar gisteren werd het bevestigd: de moderne mens beschikt niet meer over de minimale wilskracht om een nies op te sparen tot hij thuis is.
Hij zag het gebeuren op straat, een man die zonder schaamte, zonder innerlijke strijd, zonder enige vorm van morele reserve, zijn gezicht openklapte en een nies de wereld in slingerde alsof het een pakketje was dat vóór 17:00 nog mee moest met DHL.
Het was niet eens een grote nies.
Het was een karakterbreuk.
Volgens IWIH is de nies in het openbaar het ultieme bewijs dat de mens zijn zelfdiscipline heeft opgegeven.
Iedereen weet immers dat een nies prima drie tot vijf uur kan worden vastgehouden, mits men beschikt over een basale vorm van innerlijke controle.
Maar nee, de moderne burger kiest voor gemak. Voor onmiddellijke ontlading. Voor onbeschofte impulsiviteit.
Hij zag de man niet alleen niesen, maar daarna ook nog tevreden kijken.
Alsof hij een prestatie had geleverd.
Alsof hij een bijdrage had geleverd aan de samenleving.
IWIH wist genoeg: dit was geen incident.
Dit was een trend.
Een vrouw naast hem haalde haar schouders op.
“Het is een reflex,” zei ze.
En precies daar, in die zin, hoorde IWIH de ondergang van de beschaving.
Het woord reflex is namelijk een vrijbrief voor morele luiheid.
Een excuus dat mensen gebruiken wanneer ze niet willen toegeven dat ze simpelweg geen ruggengraat hebben.
IWIH pleit daarom voor een nieuwe vorm van burgertraining: Niesdiscipline.
Een nationaal programma waarin Nederlanders leren hun nies op te sparen tot ze thuis zijn, achter gesloten deuren, in een gecontroleerde omgeving waar niemand er last van heeft.
Desnoods in een speciaal aangewezen nieskamer, met tegels en een afvoerputje.
