IWIH merkt dat er één onderwerp bestaat waarmee volwassen mannen onmiddellijk enthousiast worden. Je hoeft alleen maar het woord kernenergie te laten vallen en ergens begint iemand te glimmen alsof hij zojuist een nieuwe Xbox heeft gekregen.
Het maakt niet uit waar het gesprek over ging. Klimaat. Energieprijzen. Terugleverkosten. Binnen vijf minuten zit er altijd iemand aan tafel die uitlegt dat Nederland gewoon een paar kerncentrales moet bouwen. Alsof het gaat om een schuurtje achter in de tuin.
Dat is ook het mooie aan kernenergie. Niet eens de techniek zelf, maar het soort mensen dat er verliefd op wordt. Het zijn vaak dezelfde mannen die vroeger tanks tekenden in hun schoolschrift, Discovery Channel keken alsof het een religie was en nog steeds een lichte opwinding voelen bij grote betonnen constructies met veel leidingen eraan.
Windmolens vinden ze niets.
Dat draait.
Dat ziet er niet indrukwekkend genoeg uit.
Dat heeft te weinig testosteron.
Maar een kerncentrale? Kijk, dát is techniek. Dát is vooruitgang. Dát is een project waarbij tientallen miljarden euro’s verdwijnen voordat er überhaupt één kilowattuur wordt geproduceerd. Dat voelt serieus.
En het mooiste is hoe eenvoudig er altijd over wordt gedacht.
“Gewoon bouwen.”
Alsof Nederland bekendstaat om het probleemloos realiseren van grote projecten.
IWIH weet niet in welk Nederland deze mensen wonen, maar het is duidelijk niet het Nederland dat hij kent. Nederland is namelijk het land waar een spoorlijn twintig jaar discussie oplevert. Waar vliegvelden niet open kunnen omdat ergens een vergunning ontbreekt. Waar de Belastingdienst zichzelf eens per paar jaar opnieuw moet uitvinden omdat de vorige versie per ongeluk het leven van een paar duizend burgers heeft geruïneerd.
Maar een kerncentrale?
Dat gaat natuurlijk vlekkeloos verlopen.
IWIH ziet het al voor zich. Eerst tien jaar onderzoek. Daarna acht jaar bezwaarprocedures. Vervolgens een commissie die waarschuwt dat het duurder wordt dan gedacht. Dan een tweede commissie die uitlegt waarom de eerste commissie ongelijk had. Daarna volgt een stikstofprobleem, een zeldzame vleermuis, drie kabinetswisselingen en uiteindelijk een parlementaire enquête voordat de eerste schep überhaupt de grond in gaat.
Tegen die tijd rijden we waarschijnlijk allemaal in vliegende scootmobielen.
En dan is er nog het afval.
Dat blijft volgens de liefhebbers altijd een detail. Een klein technisch dingetje dat later wel wordt opgelost.
Terwijl het gaat om materiaal dat langer gevaarlijk blijft dan vrijwel alles wat de mensheid ooit heeft gebouwd.
We kunnen in Nederland nog geen archiefkast beheren zonder dat er dossiers verdwijnen, maar radioactief afval voor de komende tienduizenden jaren opslaan? Dat gaat ineens probleemloos lukken.
IWIH ziet ergens in het jaar 4853 een ambtenaar een stoffige deur opentrekken.
“O ja.”
“Dat lag hier ook nog.”
Maar uiteindelijk gaat de discussie volgens IWIH niet eens over energie. Kernenergie is voor veel mensen gewoon de Xbox van de energietransitie. Groot. Indrukwekkend. Vol techniek. Je kunt er uren over praten zonder ooit zelf iets te hoeven bouwen.
En misschien is dat wel de echte aantrekkingskracht.
Niet dat er ooit een kerncentrale komt.
Maar dat je er eindeloos over kunt fantaseren terwijl er ondertussen geen windmolen in de polder draait.
