Ik had me voorgenomen
er niets van te vinden.
Dat lukt meestal beter
als je de gordijnen dichtlaat
en doet alsof de wereld
zich ergens anders afspeelt.
Maar zelfs met het raam dicht
komt het binnen.
Niet de mensen.
Die blijven gelukkig buiten.
Maar het geluid.
Altijd het geluid.
Alsof iemand om half tien ’s ochtends
besluit dat stilte
niet meer nodig is.
Ik kijk niet.
Tenminste, dat zeg ik.
Maar af en toe schuif ik het gordijn
een paar centimeter opzij,
gewoon om te controleren
of het nog steeds bezig is.
Dat is het altijd.
Mensen in oranje.
Veel te veel oranje.
Alsof kleur ineens persoonlijkheid is
en iedereen heeft besloten
om vandaag geen moeite meer te doen.
Ik pak een glas.
Niet omdat het feest is.
Meer omdat het helpt
om het verschil te begrijpen
tussen deelnemen
en het ondergaan van anderen
die dat wel doen.
Beneden zingt iemand mee.
Niet goed.
Maar wel hard.
Dat schijnt genoeg te zijn.
Ik vraag me af
of dit is wat ze bedoelen
met samen zijn.
Dat je met z’n allen
ongeveer hetzelfde doet
en dat dan gezellig noemt.
Misschien mis ik iets.
Dat kan.
Dat gebeurt vaker.
Ik trek het gordijn weer dicht.
Dat voelt beter.
Meer als mezelf.
Maar het geluid blijft.
Goed.
Misschien nog één glas dan.
