Ik heb vandaag besloten
dat ik niet meer naar buiten ga.
Niet omdat ik iets beters te doen heb,
maar omdat de wereld daarbuiten
zich gedraagt als een slecht humeur
dat toevallig ook nog groen is.
De bomen staan weer te zwaaien
alsof ze me willen groeten.
Ik heb nooit om hun aandacht gevraagd.
Het gras ligt daar maar,
plat en nutteloos,
en zoals de rest.
En dan die lucht.
Dat eeuwige blauw.
Een kleur die alleen maar bestaat
om mij eraan te herinneren
dat ik ooit optimistisch ben geweest.
Vlinders fladderen voorbij
met een soort vrolijkheid
die grenst aan agressie.
Ik verdenk ze ervan
dat ze het expres doen.
Dus ik blijf binnen.
Ik trek de gordijnen dicht.
Ik schenk mezelf iets in
dat sterker is dan hoop
en betrouwbaarder dan frisse lucht.
En terwijl de wereld buiten
zich vrolijk zonder mij voortbeweegt,
zit ik hier,
met mijn glas,
en denk:
misschien is dit wel genoeg.
Misschien is dit alles
wat er nog van mij verwacht wordt.
