Ik had me voorgenomen
niets van vogels te vinden.
Ze zijn er gewoon.
Net als regen.
Of mensen die te hard praten zonder iets te zeggen.
Maar ergens is het misgegaan.
Ze beginnen altijd vroeg.
Niet omdat het moet,
maar omdat ze blijkbaar vinden
dat iedereen moet weten
dat zij wakker zijn.
Kwetteren.
Alsof er iets op het spel staat.
Alsof iemand luistert.
Ik kijk niet vaak naar buiten,
maar soms hoor je genoeg
om een beeld te krijgen.
Vogels die landen
alsof ze zelf ook niet helemaal weten
waar ze uitkomen.
Onvoorspelbaar.
Onnodig aanwezig.
Ik schenk een glas in.
Niet uit dorst.
Meer uit gewoonte.
En dan je auto.
Je zet hem ergens neer
met het soort vertrouwen
dat nergens op gebaseerd is.
En toch raak.
Altijd raak.
Alsof er bovenin iets zit
dat af en toe besluit:
die daar.
Niet boos.
Meer teleurgesteld
in hoe consistent het is.
Er zijn mensen
die dit aanmoedigen.
Die brood strooien.
Zaden.
Restjes.
Alsof ze een afspraak hebben
met alles wat vleugels heeft.
Ze noemen het voeren.
Het voelt meer als uitnodigen
voor iets waar niemand om heeft gevraagd.
En dan zitten ze daar.
Meer vogels.
Luidruchtiger.
Zelfverzekerder.
Omdat iemand beneden heeft besloten
dat dit gezellig is.
Misschien hoort het zo.
Misschien is dit natuur.
Dat alles wat beweegt
geluid maakt
en iets achterlaat
dat je niet kunt negeren.
Ik neem een slok.
Ik doe het raam dicht.
Dat helpt niet echt.
Maar goed.
Ze zijn er morgen weer.
