IWIH is vandaag officieel geveld. Niet zomaar een beetje snotterig, nee: hij ligt erbij alsof hij uit een middelmatige Netflix‑horrorserie is gehaald. Zijn hoofd bonkt als een defecte wasmachine op centrifugestand, zijn keel kraakt als een natte houten vloer, en zijn longen produceren geluiden die zelfs de buren doen twijfelen of ze 112 moeten bellen of gewoon de ramen dicht moeten doen.
Paracetamol en ibuprofen verdwijnen in zijn systeem met de elegantie van M&M’s op een kinderfeestje. Het wc‑papier? Op of onvindbaar. Het huis? Een soort quarantainezone waar niemand vrijwillig naar binnen stapt. Hij heeft zelfs tegen de buren gesnauwd dat ze “te luid ademen”, wat objectief gezien waar is, maar toch niet sociaal wenselijk.
Kortom: IWIH is ziek, zielig en totaal ongeschikt om vandaag iets zinnigs te produceren. De redactie ligt op zijn rug, de inspiratie is gevlucht, en de enige column die hij vandaag zou kunnen schrijven is een koortsdroom vol hoestbuien en zelfmedelijden.
De lezers hoeven dus helemaal nergens op te rekenen vandaag.
