Het is weer zo’n dag
waarop de lucht besluit
om niet te bewegen.
Alles plakt.
Mijn shirt aan mijn rug,
mijn rug aan mijn stoel,
mijn ziel aan mijn lichaam
tegen mijn zin.
De zon hangt voor het raam
als een opdringerige buurman
die niet begrijpt
dat ik geen behoefte heb
aan sociaal contact.
Ik heb geprobeerd
het hoofd koel te houden.
Letterlijk.
Maar mijn hoofd
heeft andere plannen.
Dus heb ik gedaan
wat elke rationele man doet
in tijden van hitte:
ik heb een borrel ingeschonken.
Niet om te drinken,
maar om te overleven.
En kijk
het werkt.
Voor even.
Tot de warmte weer terugkruipt
langs mijn nek,
alsof de zomer persoonlijk
iets tegen me heeft.
Misschien heeft hij dat ook.
Misschien verdienen sommige mensen
een briesje.
Maar ik blijkbaar niet.
Dus proost.
Op de warmte.
Op het zweten.
Op het feit dat ik dit gedicht
niet wilde schrijven,
maar de temperatuur
me geen keuze liet.
