Het is warm.
Onredelijk warm.
Zo warm dat mijn lichaam
zich gedraagt als een defecte fontein
die niemand ooit heeft willen installeren.
Zweet gutst uit poriën
waarvan ik niet wist dat ik ze had.
Mijn shirt plakt.
Mijn stoel plakt.
Mijn ziel plakt.
De lucht hangt stil,
alsof zelfs de atmosfeer
collectief heeft besloten
dat vandaag niet meer hoeft.
Ik probeer te ademen,
maar zelfs zuurstof voelt nu kleverig.
Mijn humeur is verdampt.
Mijn wilskracht ligt ergens te smelten
naast de kunstplant die het ook heeft opgegeven.
Ik haat dit weer.
Ik haat de zon.
Ik haat iedereen die beweert
dat dit “heerlijk” is.
Mijn enige troost:
twee ijsklontjes in mijn borrel.
Twee kleine soldaten
die langzaam sterven
voor mijn comfort.
Ik hef het glas.
Niet uit vreugde,
maar omdat mijn hitteplan
anders niets meer voorstelt
dan wachten tot ik zelf vloeibaar word.

1 reactie
Sommige mensen voelen warmte op hun huid. HSP’s voelen haar overal. In hun hoofd, hun adem, hun stemming, hun zenuwen. Dit gedicht leest alsof niet alleen het lichaam smelt, maar ook alle prikkels geen uitweg meer vinden. Alsof de hitte elke gedachte zwaarder maakt en zelfs stilte begint te plakken.
En toch zit er iets ontroerends in die twee ijsklontjes: kleine momenten van zachtheid in een wereld die even te veel binnenkomt. Ik voelde de overprikkeling bijna letterlijk tussen de regels door. Pijnlijk herkenbaar – en prachtig eerlijk geschreven.
Catherine Boone