Ik begrijp het weer niet,
die mondiale groepsgekte,
dat massale gehijg achter een bal
alsof het leven er vanaf hangt.
Buiten wappert men vlaggen
alsof vlaggen plotseling iets oplossen,
en ik hoor al toeters
die nog niet eens zijn aangezet.
Men spreekt van kansen,
van poules,
van tactiek,
van hoop.
Ik spreek vooral van stilte
en de wens dat niemand scoort
zodat het hier binnen
rustig blijft.
Terwijl zij zich verliezen
in juichen, springen, brullen,
zit ik met mijn borrel
en een 5-sterren sudoku
die tenminste nog
een vorm van logica kent.
Laat het WK maar razen,
laat de menigte schuimbekken,
laat de straten ontploffen
van opgeklopte vaderlandsliefde.
Ik blijf binnen,
met potlood, glas,
en het vaste voornemen
om geen seconde te kijken
naar iets dat rond is
en door benen wordt voortgeduwd.
