IWIH ziet ze iedere ochtend voorbijkomen. Mannen van in de veertig, vijftig, in een te strak, te kleurrijk shirt van een hardloopevenement dat ze ooit hebben uitgelopen toen ze nog een soort van knieën hadden. Ademhaling van een COPD-patiënt. Gezicht de kleur van verbrande rug in Salou. Ze noemen het “sporten.” IWIH noemt het een langgerekt afscheid van het lichaam, in stapjes van vijf kilometer.
De meeste van deze hardlopers zijn te zwaar. Niet dik, zegt de huisarts voorzichtig, “een beetje boven het ideale gewicht bij je lengte.” IWIH is minder voorzichtig. Elke stap die ze zetten drukt met een veelvoud van hun lichaamsgewicht op knieën die na veertig jaar sowieso al aan het uitzoeken zijn hoe ze zonder kraakbeen verder moeten. De enkels volgen. Dan de rug, die het compenseert door op een manier te draaien die de fysiotherapeut later “niet ideaal” zal noemen, met een stem alsof hij een terminale patiënt een fijne kerst wenst.
Maar het gaat niet om de kilometers. Het gaat om iets anders. Veertig worden doet iets met een mens. De haarlijn trekt zich terug, de kinderen kijken je aan alsof je iets uit te leggen hebt, en op een dag besef je dat je vader was toen hij zo oud was als jij nu bent. En in plaats van dat rustig te accepteren, trekken deze mensen een kort hardloopbroekje aan en gaan het bewijs verzamelen dat ze het nog kunnen. Het is geen sport. Het is een ontkenning van de naderende dood, uitgevoerd in felgekleurde Asics.
Sommigen noemen het gezond. IWIH noemt het een geluk voor de orthopedisch chirurg die kijkt naar een tweede huis in Frankrijk, één meniscus per keer.
En ze weten het zelf dondersgoed. Je ziet het aan de manier waarop ze na afloop wankelend richting hun auto lopen, met een gezicht dat zegt: dit voelde geweldig en een lijf dat denkt: dit was een grote vergissing.
IWIH bindt zijn veters strak. Trekt z’n shirt recht. Tien kilometer vandaag. Luisteren naar het lichaam kan altijd nog.
