Diëten is een prachtig idee. Op papier. In de praktijk is het vooral een manier om te ontdekken dat jouw discipline exact stopt waar smaak begint.
Je eet minder. Je beweegt iets meer. Je voelt je beter.
Dat is wat mensen zeggen in de eerste dagen. De wittebroodsweken van het dieet. De fase waarin ze nog geloven dat dit een “nieuwe levensstijl” is en niet gewoon een tijdelijke ontkenning van wie ze zijn. Over drie dagen hangen ze weer huilend boven een zak chips.
In de tussentijd denk je de hele dag aan eten. Niet aan eten zelf, dat zou nog ergens op lijken, maar aan alles wat je niet mag. Brood. Kaas. Kroketten. Dingen met een ziel. Dingen die ooit een functie hadden in je leven, behalve schuldgevoel.
In plaats daarvan eet je sla. Wortels. Crackers die zo gortdroog zijn dat ze vooral bedoeld lijken om je eraan te herinneren dat plezier optioneel is. Je voelt je gedisciplineerd. Iets beter dan anderen. Een soort monnik, maar dan zonder de innerlijke rust, de wijsheid of de reden.
Tot iemand één woord zegt:
“Bier?”
Dat is het moment waarop je dieet verandert van plan naar herinnering.
Je zegt nog: “Nee, ik ben bezig.”
Maar je hoort zelf ook wel hoe dat klinkt.
Eén biertje wordt er twee, misschien drie, soms vier. Niet omdat je dat besluit, maar omdat het zo gaat. Bier heeft de neiging om gezelschap mee te nemen. En pinda’s.
Pinda’s koop je niet als je aan het diëten bent.
Die verschijnen.
Altijd op het moment dat je denkt dat je nog controle hebt.
En dan komen de Pringles.
Pringles zijn geen snack. Pringles zijn een proces.
Het begint met “ik neem er één” en eindigt met een lege koker en de stille vaststelling dat je geen enkele discipline hebt.
En dan komt hij vanzelf:
“Vanaf morgen weer.”
Morgen.
Die plek waar jij ineens wel iemand bent die stopt na één handje.
Wel zin heeft in yoghurt zonder reden.
Wel gelooft dat dit keer anders is.
Vandaag niet.
Vandaag is al klaar.
Vandaag eet je yoghurt die smaakt naar linkse principes: zuur, zelfverzekerd en overtuigd dat het beter weet, en daarna alles wat toevallig binnen handbereik ligt, omdat het nu toch geen verschil meer maakt.
En toch begin je weer.
Omdat je denkt dat het deze keer anders is.
Omdat je spijkerbroek anders een gesprek met je aangaat waar je geen zin in hebt.
Omdat je ergens gelooft dat wilskracht iets is dat je kunt kopen bij de supermarkt, naast de komkommer en de sla.
Tot iemand weer zegt:
“Bier?”
En jij denkt:
lekker!
