Er is een ongemakkelijke waarheid die we in Nederland al jaren zorgvuldig omzeilen: de woningnood is niet alleen een kwestie van stenen, vergunningen en stikstof. Het is ook een kwestie van ruimtegebruik. En dat ruimtegebruik is scheef. Structureel scheef.
Begin 2024 telde Nederland 3,3 miljoen alleenwonenden. Dat is bijna één op de vijf inwoners. Een cijfer dat we vaak achteloos noemen, alsof het een neutrale statistiek is. Maar dat is het niet. Het is een indicator van een systeem dat niet langer aansluit bij de realiteit. Want hoe rationeel is het dat miljoenen mensen een volledige woning bezetten, terwijl gezinnen worden weggedrukt naar vakantieparken en jongeren tot hun dertigste op zolderkamers bivakkeren?
We hebben het nooit zo durven formuleren, maar het wordt tijd dat iemand het doet: alleen wonen is een inefficiënte vorm van ruimtegebruik. En inefficiëntie kunnen we ons niet meer veroorloven.
De reflex is voorspelbaar: “We moeten meer bouwen.” Maar bouwen is geen magische knop. De bouwsector zit aan zijn maximale capaciteit. Grond is schaars. Stikstofruimte nog schaarser. En zelfs als we morgen alle procedures zouden halveren, duurt het jaren voordat er iets staat. Ondertussen groeit het aantal huishoudens sneller dan de woningvoorraad ooit kan bijbenen.
Daarom moeten we durven kijken naar maatregelen die wél direct effect hebben. Maatregelen die misschien niet populair zijn, maar wel logisch. Zoals verplicht samenwonen voor alleenstaanden.
Niet als straf, maar als rationele herverdeling van schaarse woonruimte. Als twee alleenstaanden samenwonen, komt er één woning vrij. Dat is geen mening, dat is een rekensom. En die rekensom levert potentieel meer dan anderhalf miljoen woningen op. Geen enkel beleidsinstrument komt in de buurt van dat effect.
Toch blijven we het onderwerp vermijden. We durven niet te benoemen dat alleen wonen een vorm van woonconsumptie is die niet meer past bij de demografische druk. We durven niet te zeggen dat het misschien niet redelijk is om als gezonde volwassene 80 vierkante meter voor jezelf te claimen in een land waar de wachttijd voor sociale huur richting de tien jaar gaat. We durven niet te erkennen dat het individualisme van de afgelopen decennia simpelweg niet meer houdbaar is.
Maar beleid kan niet gebaseerd blijven op wat comfortabel voelt. Beleid moet gebaseerd zijn op wat werkt.
Een verplicht samenwoonmodel hoeft niet kil te zijn. Het kan zorgvuldig worden ingericht. Relatie of samenwoonconstructie stuk? Dan volgt een overgangstermijn van zes maanden om zelf een nieuwe huisgenoot te vinden. Lukt dat niet, dan helpt een algoritme bij het maken van een passende match. Niet romantisch, wel efficiënt. Jongeren krijgen tot hun 21e de ruimte om zelf een partner of huisgenoot te kiezen. Daarna wordt er automatisch een match toegewezen. Niet om hen te beperken, maar om te voorkomen dat starters jarenlang onnodig woonruimte blokkeren.
Natuurlijk zijn er uitzonderingen nodig: medische situaties, veiligheidsrisico’s, mantelzorg. Maar uitzonderingen zijn geen reden om het principe te negeren. Het principe is simpel: woonruimte delen waar dat kan, zodat niemand buiten de boot valt.
De woningnood vraagt om volwassen keuzes. En volwassen keuzes zijn zelden comfortabel. Misschien is het tijd dat alleenstaanden zichzelf niet langer zien als neutrale spelers in dit verhaal, maar als onderdeel van een systeem dat vastloopt. En misschien is het tijd dat we van hen vragen om een bijdrage te leveren die verder gaat dan begrip tonen.
De vraag is niet of verplicht samenwonen ideaal is. De vraag is of we het ons nog langer kunnen veroorloven om het niet te overwegen.
