Waarom het patat is en geen friet, gewoon nooit!

Er zijn discussies die de samenleving vooruithelpen: klimaatbeleid, woningnood, migratiebeleid, vaccinatieschade, de toekomst van Europa. En dan is er de discussie over patat versus friet. Een debat dat, hoe triviaal het ook lijkt, een fundament raakt dat dieper gaat dan aardappel en olie. Het gaat over taal, logica, en het simpele feit dat sommige woorden nu eenmaal kloppen en andere niet. Laat IWIH het maar meteen helder stellen: het is patat. Altijd. Onwrikbaar. Onbetwistbaar.

Laten we beginnen bij de basis: patat is een afkorting van patates frites. Dat is Frans voor ‘gebakken aardappelen’. Het woord frites is dus slechts het tweede deel van de volledige term. Wie friet zegt, kiest er dus bewust voor om alleen het bijvoeglijke deel te gebruiken. Dat is alsof je een ‘broodje pindakaas’ bestelt door alleen “kaas” te zeggen. Of dat je een ‘spaghetti bolognese’ inkort tot “nese”. Niemand doet dat, behalve dan de halfzachten die friet zeggen. Het is half werk, en half werk is precies het soort taalverval waar IWIH zo allergisch voor is.

Daarnaast heeft patat een vanzelfsprekende helderheid die friet nooit zal bereiken. Patat is een zelfstandig woord dat zonder hulp overeind blijft: iedereen weet wat ermee bedoeld wordt, ongeacht de context. Het staat stevig, het draagt zichzelf. Friet daarentegen hangt volledig aan het werkwoord frituren, zonder die technische handeling blijft er weinig van over. Je kunt patat bestellen, eten, uitkotsen, laten aanbranden of in de auto op de grond laten vallen; het woord blijft functioneren. Friet moet telkens terug naar de frituur om betekenis te krijgen. Het is onvolledig.

Cultureel gezien is het net zo duidelijk. In bijna heel Nederland, het land dat de aardappel tot cultureel erfgoed heeft verheven, zegt men patat. Alleen in enkele zuidelijke enclaves houdt men vast aan friet. Dat is charmant, zeker, maar charme is geen argument voor standaardisering. Als regionale varianten automatisch de norm zouden worden, reden we nu links, aten we elke dag zuurvlees en heette een broodje kroket ineens een ‘kroketbrood’. De samenleving zou binnen een week imploderen.

En dan is er nog de auditieve waarheid. Patat is een woord met karakter. Het heeft een harde P, een duidelijke T, en een ritme dat je voelt. Patat. Twee klappen op tafel. Friet daarentegen glijdt weg. Het is slap. Het is auditief lauw. Het klinkt als iets dat je bestelt wanneer je geen ruggengraat hebt.

Maar het sterkste argument komt uit de praktijk. Wie een frietje bestelt, krijgt patat. De snackbarhouder, de cafetaria‑veteraan, de man achter de muur met de frikandellen, zij weten hoe het zit. Zij bakken patat. En als de mensen die het bereiden het woord patat gebruiken, dan is de discussie in feite al beëindigd.

Kortom: het is patat. Niet omdat IWIH dat vindt, maar omdat de taal, de logica, de cultuur en de snackbar dat unaniem bevestigen. Wie friet zegt, mag dat blijven doen, maar moet wel accepteren dat hij het objectief, aantoonbaar en onverbiddelijk mis heeft.

Plaats een reactie